Citaat | Hoge Raad 29 september 1995
Alinea 32 Hoge Raad 29 september 1995
Een alinea uit Hoge Raad 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827.
Dit verwijt mist feitelijke grondslag. De rechtsoverwegingen 4.5 – 4.8 moeten aldus worden verstaan dat het Hof zijn oordeel dat [eiser] zijn rechten jegens Provincial heeft verwerkt, niet enkel heeft gebaseerd op het lange tijdsverloop tussen het tijdstip waarop Provincial in het vorige geding voor antwoord had gediend (24 november 1976) en het tijdstip waarop [eiser] het huidige geding inleidde (23 augustus 1989). Het Hof heeft integendeel op grond van een samenstel van feiten en omstandigheden geoordeeld dat bij Provincial, in ieder geval in augustus 1989, het gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat [eiser] zijn aanspraken uit de verzekeringsovereenkomst niet meer zou vervolgen. Het gaat in het bijzonder om de navolgende feiten en omstandigheden: (i) de langdurige periode (bijna tien jaren) die was voorafgegaan aan de op 27 juli 1986 door Provincial schriftelijk tot [eiser] gerichte mededeling dat deze een beroep op rechtsverwerking kon verwachten zo hij na het verval van de instantie een nieuwe instantie zou entameren, gedurende welke periode [eiser] Provincial in het ongewisse had gelaten omtrent zijn standpunt naar aanleiding van Provincials conclusie van antwoord, (ii) het doen door Provincial van deze mededeling, (iii) het feit dat op grond van die mededeling naar ’s Hofs oordeel van [eiser] , zo deze zijn aanspraken uit de verzekeringsovereenkomst zou willen vervolgen, voortvarendheid mocht worden verlangd, en (iv) de omstandigheid dat [eiser] nochtans een onredelijk lange tijd (bijna drie jaren) na die mededeling heeft stilgezeten alvorens blijk te geven zijn aanspraken te willen vervolgen. Aldus oordelende heeft het Hof het hiervoor omschreven uitgangspunt niet miskend, terwijl dat oordeel ook voor het overige geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan kunnen de onderdelen niet afdoen voor zover zij de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden anders dan in hun onderlinge samenhang beschouwen. Het in onderdeel 1 vervatte betoog volgens hetwelk handelingen van de schuldenaar, met name de schriftelijke mededeling van Provincial van 27 juli 1986 aan [eiser] , niet tot verwerking van het recht van de schuldeiser kunnen leiden, kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Niet uitgesloten is dat, zoals in het onderhavige geval, een handeling van de schuldenaar van betekenis is voor de waardering die, in het kader van het rechtsverwerkingsoordeel, aan het opvolgende gedrag van de schuldeiser moet worden gehecht. Aangezien het Hof ook niet in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten kunnen de onderdelen 1 en 2 niet tot cassatie leiden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/38af7db49c3cd2cbc32b7b3095b613a9c0b875adfa3ffbfc121e08b77673ea28. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 38af7db49c3cd2cbc32b7b3095b613a9c0b875adfa3ffbfc121e08b77673ea28, en de alinea staat in dat document op bytes 12791 tot 15488.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/38af7db49c3cd2cbc32b7b3095b613a9c0b875adfa3ffbfc121e08b77673ea28 | shasum -a 256