Citaat | Hoge Raad 10 januari 1995

Alinea 26 Hoge Raad 10 januari 1995

Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9914.

In het onderhavige geval staat naar het oordeel van het hof vast dat de dagvaarding om ter terechtzitting van 14 januari 1993 te verschijnen aan verdachte op 17 oktober 1992 in persoon is uitgereikt door [betrokkene 4], hoofdagent van gemeentepolitie te Enschede. Ter terechtzitting van het hof heeft genoemde Oldenkotte als getuige verklaard dat hij, overeenkomstig de richtlijnen van de officier van justitie het parketnummer, de persoonsgegevens van verdachte en de nadere gegevens van het delict, waarvan [verdachte] werd verdacht, op de dagvaarding die hem door de voorzitter is getoond, heeft ingevuld, benevens de dag van de terechtzitting en de rechter voor wie de verschijning van verdachte werd verlangd. Vervolgens heeft de getuige de dagvaarding aan verdachte ter hand gesteld en nadien van zijn verrichtingen melding gemaakt in het proces-verbaal.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd8ea4d941097f778cc733fdb69abe3154a305acb6dc3d9419bdfeb3084a99a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd8ea4d941097f778cc733fdb69abe3154a305acb6dc3d9419bdfeb3084a99a8, en de alinea staat in dat document op bytes 10767 tot 11640.