Citaat | Hoge Raad 28 november 1995
Alinea 32 Hoge Raad 28 november 1995
Een alinea uit Hoge Raad 28 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0305.
6.5. Zoals de Hoge Raad bij zijn beschikking van 11 oktober 1994, NJ 1995, 156, heeft beslist, brengt redelijke uitleg van de hiervoren onder 6.2 weergegeven passage uit de Memorie van Toelichting mee aan te nemen dat de wetgever, voor wat betreft het samenstel van de bepalingen van titel IIIB van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering en de daarmee samenhangende toegevoegde derde volzin van het eerste lid van art. 311 Sv, heeft beoogd deze eerst van toepassing te doen zijn op die strafzaken die op of na 1 maart 1993 in eerste aanleg aanhangig zijn gemaakt. Datzelfde geldt echter niet voor art. 94a Sv; die bepaling kan sedert 1 maart 1993 — de datum van de inwerkingtreding van de eerdergenoemde wet — worden toegepast, ongeacht de datum waarop de desbetreffende zaak aanhangig is gemaakt en ongeacht de datum waarop het desbetreffende feit is gepleegd. Ook voor zover het middel dit miskent faalt het.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e7bd21b60782f67de722c7d9afaff997a78ca6ca7a5ae97d16bd028912d9367. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e7bd21b60782f67de722c7d9afaff997a78ca6ca7a5ae97d16bd028912d9367, en de alinea staat in dat document op bytes 13403 tot 14343.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4e7bd21b60782f67de722c7d9afaff997a78ca6ca7a5ae97d16bd028912d9367 | shasum -a 256