Citaat | Hoge Raad 19 december 1995

Alinea 136 Hoge Raad 19 december 1995

Een alinea uit Hoge Raad 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328.

12.4. Het Hof heeft bij de beoordeling van voormeld verzoek van de raadsman de juiste maatstaf aangelegd. In aanmerking genomen enerzijds de aard en de strekking van de hiervoor onder 12.1 weergegeven vragen welke de verdediging aan mr Valente had willen stellen en anderzijds hetgeen de als getuige gehoorde hoofdinspecteur [verbalisant] ter terechtzitting heeft verklaard omtrent de in die vragen aan de orde gestelde feiten en omstandigheden, geeft 's Hofs oordeel dat de noodzaak van het verhoor van mr Valente als getuige niet is gebleken, geen blijk van miskenning van bedoelde maatstaf, terwijl het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is. Met het slot van de hiervoor onder 12.1 weergegeven overwegingen heeft het Hof — ten overvloede — tot uitdrukking gebracht het niet nodig te achten met het oog op de aan het Hof voorbehouden beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de opsporingsambtenaren ook kennis te nemen van de opvattingen van mr Valente daarover.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/43fd8d68eb0655b2130be283c0ddacc7c25f4dc020da86d860c9ec1396f355b7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 43fd8d68eb0655b2130be283c0ddacc7c25f4dc020da86d860c9ec1396f355b7, en de alinea staat in dat document op bytes 64879 tot 65889.