Citaat | Hoge Raad 15 maart 1996
Alinea 33 Hoge Raad 15 maart 1996
Een alinea uit Hoge Raad 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2013.
3.3.3 De tweede en de vierde klacht verwijten de Rechtbank dat zij heeft vastgesteld dat nadat [eiser] had verzocht om te worden toegelaten tot de pleidooien, de zaak ter beslissing op dit verzoek is verwezen naar de kamer die het bestreden vonnis heeft gewezen: de klachten komen erop neer dat deze vaststelling onverenigbaar is met hetgeen uit het desbetreffende audiëntieblad blijkt (vgl. 3.1). Ook deze klachten zijn tevergeefs voorgedragen: zij miskennen dat de Hoge Raad, krachtens art. 419, derde lid, gebonden is aan de bestreden vaststelling van de Rechtbank en dat zelfs als deze vaststelling zou afwijken van wat uit het audiëntieblad zou blijken - wat, gezien de beknoptheid van de aantekeningen in dit gedingstuk niet noodzakelijk het geval is - deze afwijking die vaststelling niet zonder meer onbegrijpelijk zou maken (vgl. HR 21 januari 1994, NJ 1994, 335).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3471a6ec90bd4209350eb330d23ca316fdb4bb060ae50deeb852b54ed49f5a5c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3471a6ec90bd4209350eb330d23ca316fdb4bb060ae50deeb852b54ed49f5a5c, en de alinea staat in dat document op bytes 10438 tot 11326.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3471a6ec90bd4209350eb330d23ca316fdb4bb060ae50deeb852b54ed49f5a5c | shasum -a 256