Citaat | Hoge Raad 7 mei 1997

Alinea 14 Hoge Raad 7 mei 1997

Een alinea uit Hoge Raad 7 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2075.

4. Beoordeling van de klachten 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In 1986 is de echtgenoot van belanghebbende begraven op de begraafplaats A. Op deze begraafplaats wordt een onderscheid gemaakt in algemene en eigen graven. In de algemene graven zijn vier, doorgaans niet verwante, overledenen begraven, terwijl in een eigen graf slechts drie, doorgaans verwante overledenen worden begraven. Tot 1994 bedroeg het tarief ter zake van algemeen onderhoud voor een eigen graf ƒ 50,- per jaar. Het stadsdeel heeft in de eigen graven een onderscheid aangebracht in A- AA- en AAA- graven. De A is een waarderingsfactor voor de ligging, waarbij AAA de hoogste waardering is. Het stadsdeel heeft per 1 januari 1994 de tarieven ter zake van het algemeen onderhoud voor zowel de algemene als de eigen graven verhoogd. Voor een algemeen graf wordt ter zake van algemeen onderhoud per 10 jaar een bedrag van ƒ 110,-- per overledene in rekening gebracht. Met betrekking tot de eigen graven dient per jaar voor een A-graf ƒ 85,--, voor een AA- graf ƒ 125,-- en voor een AAA-graf ƒ 140,-- te worden betaald ter zake van het algemeen onderhoud, ongeacht het aantal overledenen dat in een eigen graf begraven is. Onder algemeen onderhoud valt het onderhoud van paden, wegen, groenopstanden, waterpartijen en de directe omgeving van de desbetreffende grafvakken. De echtgenoot van belanghebbende is begraven in een AA- graf. 4.2. Belanghebbende herhaalt in cassatie haar voor het Hof gehouden betoog dat de verhoging van het tarief voor algemeen onderhoud van ƒ 50,-- naar ƒ 125,-- per jaar onredelijk is, nu een dergelijke verhoging in 1986 niet was te voorzien en het grafrecht een langdurige rechtsbetrekking tussen het stadsdeel en de rechthebbende op het graf betreft, welke die rechthebbende in feite niet tussentijds kan beindigen. Dit betoog komt erop neer dat met de wijziging van de Verordening in strijd is gehandeld met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel. 4.3. Dienaangaande moet worden vooropgesteld dat, zoals het Hof met juistheid heeft geoordeeld, de hoogte van het tarief op zichzelf niet ter beoordeling aan de rechter staat. De rechter beoordeelt in dit verband slechts of de opbrengst van het voor algemeen onderhoud geheven grafrecht niet uitgaat boven de ter zake gemaakte kosten, en niet strekt tot vergoeding van andere voorzieningen dan het algemene onderhoud. Het oordeel van het Hof dat het tarief aan deze eisen voldoet wordt in cassatie niet bestreden. 4.4. In het oordeel van het Hof ligt voorts besloten dat de tariefsverhoging niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het middel bestrijdt dat oordeel, maar tevergeefs. De enkele omstandigheid dat in een duurzame rechtsbetrekking, die door de rechthebbende feitelijk niet kan worden beëindigd, een tariefsverhoging wordt doorgevoerd is onvoldoende om die conclusie te dragen, omdat behoudens hier niet gebleken bijzondere omstandigheden de verwachting dat tarieven als deze ongewijzigd zullen blijven niet gerechtvaardigd is. Voor het overige heeft belanghebbende blijkens de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding geen argumenten aangevoerd die haar betoog ondersteunen. In zoverre falen de klachten. 4.5. Belanghebbende klaagt voorts over de wijze waarop het Hof haar beroep op het algemene rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, heeft verworpen. Zij betoogt dat het Hof niet of onjuist heeft geantwoord op haar stelling dat van de kosten van het algemene onderhoud een onevenredig groot deel is toegerekend aan de eigen graven. Deze klacht is gegrond. Het karakter van de onderhavige retributie laat een differentiatie in het tarief voor het algemene onderhoud van de begraafplaats slechts toe indien die differentiatie zich richt naar het genot dat een rechthebbende tot een graf heeft van dit onderhoud. Van een verschil in genot kan bij voorbeeld sprake zijn indien - zoals in dit geval door het stadsdeel in cassatie is aangevoerd - de infrastructuur van de begraafplaats rondom de eigen graven veel uitgebreider is dan de infrastructuur rondom de algemene graven. Het Hof heeft omtrent het verschil in tarief slechts geoordeeld dat het stadsdeel voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan het niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Dit oordeel geeft onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang. Uit het door het Hof vastgestelde, onder 3.1 vermelde, verschil tussen algemene graven en eigen graven, kan een verschil in het genot dat rechthebbenden op deze onderscheiden graven hebben van het algemene onderhoud immers niet worden afgeleid. De uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/09cd68e6735bfb4f76280beea680e4df0e7c24dd8a5421e1dbe4205ca55bf678. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 09cd68e6735bfb4f76280beea680e4df0e7c24dd8a5421e1dbe4205ca55bf678, en de alinea staat in dat document op bytes 7863 tot 12628.