Citaat | Hoge Raad 4 juni 1997

Alinea 5 Hoge Raad 4 juni 1997

Een alinea uit Hoge Raad 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2175.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is bij notariële akte van 30 mei 1988 opgericht door C B.V. Ter volstorting van het aandelenkapitaal in belanghebbende heeft C B.V. haar gehele vermogen ingebracht. Dat vermogen werd gevormd door een onderneming die zich bezig hield met de exploitatie van een boekhoud- en belastingadvies- bureau, de exploitatie van een makelaarskantoor, en met het beleggen en de handel in onroerend goed. Het geplaatste en gestorte kapitaal van belanghebbende bedraagt ƒ 40.000,--, dat van C B.V. ƒ 180.000,-. Vervolgens zijn op dezelfde datum door belanghebbende drie dochtervennootschappen opgericht, te weten D B.V., E B.V., en F B.V. In deze drie vennootschappen bracht belanghebbende de oorspronkelijke, thans in drie onderdelen opgesplitste, onderneming in. De niet bedrijfsgebonden bezittingen en schulden, waaronder de liquide middelen en de pensioenvoorziening jegens belanghebbendes directeur, bleven achter in belanghebbende. Deze reorganisatie is uitgevoerd overeenkomstig een tevoren vastgesteld plan. 3.2. Volgens artikel 7, lid 1, van de Richtlijn van 17 juli 1969, nr 69/335/EEG, betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, PB 1969, L 249, (hierna: de Richtlijn) zoals dit artikel luidt na de daarin bij de Richtlijn van 10 juni 1985, nr. 85/303/EEG, PB 1985, L 156 aangebrachte wijzigingen, in verbinding met de voordien geldende tekst van dit artikel, geldt - mits is voldaan aan enkele hier niet van belang zijnde voorwaarden - een vrijstelling van kapitaalsbelasting wanneer een of meer kapitaalvennootschappen hun gehele vermogen of een of meer takken van bedrijvigheid inbrengen in een of meer kapitaalvennootschappen die in oprichting zijn of reeds bestonden. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voor de storting op haar aandelen recht heeft op deze vrijstelling. Tegen dit oordeel is middel I gericht. 3.3. Redelijkerwijs kan niet worden betwijfeld dat deze bepaling van de Richtlijn, die rechtstreekse werking heeft, ook van toepassing is indien het inbrengen door een kapitaalvennootschap van haar gehele vermogen of van een tak van bedrijvigheid onmiddellijk wordt gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht van een wezenlijk deel van dat (bedrijfs)vermogen aan een andere tot hetzelfde concern behorende vennootschap. Het van de vrijstelling uitzonderen van een dergelijk geval vindt geen steun in de bewoordingen van de Richtlijn en zou, gelet op de door de Advocaat-Generaal in zijn Conclusie onder 2.1.1 tot en met 2.1.3 vermelde consideransen, in strijd zijn met de strekking daarvan. 3.4. Het arrest van 15 juli 1986, nr 23 227, BNB 1986/311, waarop de Staatssecretaris zich beroept, in welk arrest de Hoge Raad voor een geval als onder 3.3 bedoeld de in artikel 35, lid 4, (oud) van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) als tweede omschreven heffingsmaatstaf niet van toepassing oordeelde, hield verband met de voor de overdrachtsbelasting bij de toepassing van artikel 15, lid 1, letter e, van de Wet ontwikkelde rechtspraak. De gevolgen van die rechtspraak bij "doorinbreng" binnen concernverband zijn voor de overdrachtsbelasting eerst in de uitvoeringssfeer en later ook door de wetgever aanzienlijk verzacht (onderdeel 11 van de resolutie van 27 december 1988, nar IB88/1084, V-N 1989 blz. 208 e.v., respectievelijk artikel 5, leden 4 en 6 van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer). Gevoegd bij hetgeen onder 3.3 is overwogen geeft een en ander de Hoge Raad aanleiding thans van het arrest BNB 1986/311 terug te komen. Voor de heffing van de kapitaalsbelasting is derhalve ook sprake van een inbreng door een kapitaalvennootschap van haar gehele vermogen dan wel haar gehele onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan indien die inbreng onmiddellijk wordt gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht van een wezenlijk deel van het ingebrachte vermogen aan een andere tot hetzelfde concern behorende vennootschap. 3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat ter zake van de onderhavige inbreng de in artikel 35, lid 4, (oud) van de Wet als tweede omschreven heffingsmaatstaf toepassing kan vinden. In overeenstemming met hetgeen de Richtlijn voorschrijft, leidt dit hier tot volledige vrijstelling van de heffing van kapitaalsbelasting. 3.6. Middel I faalt derhalve. Middel II, dat zich richt tegen een door het Hof ten overvloede gegeven oordeel, behoeft geen behandeling meer. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als hierna vermeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/041cc9ab7372caa3f0e531d3702363b62b6a6c04f0cc84d79e54c104f610353f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 041cc9ab7372caa3f0e531d3702363b62b6a6c04f0cc84d79e54c104f610353f, en de alinea staat in dat document op bytes 5787 tot 10408.