Citaat | Hoge Raad 4 juni 1997
Alinea 67 Hoge Raad 4 juni 1997
Een alinea uit Hoge Raad 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2175.
2.3.3 Men zou wellicht kunnen verdedigen, dat de voortzettingseis slechts moet worden gesteld als het ingebrachte gehele vermogen een onderneming bevat en (dus) in andere gevallen niet. Ik zie niet in waarom men ondernemingsvermogen slechter zou moeten behandelen dan ander vermogen. De Richtlijn stelt bovendien de voortzettingseis niet en zeker als het ingebrachte vermogen wordt doorgeschoven naar een of meer dochtermaatschappijen van hetzelfde concern - zoals i.c. - zou het zeer de vraag zijn of het stellen van een dergelijke eis niet in strijd komt met doel en strekking van de Richtlijn. Dat een onderscheid als vorenbedoeld niet gemaakt zou moeten worden, lijkt mij zodanig evident, dat ik een prejudiciële vraag over de uitleg van artikel 7, lid 1, letter b, van de Richtlijn op dit punt niet noodzakelijk acht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/041cc9ab7372caa3f0e531d3702363b62b6a6c04f0cc84d79e54c104f610353f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 041cc9ab7372caa3f0e531d3702363b62b6a6c04f0cc84d79e54c104f610353f, en de alinea staat in dat document op bytes 25857 tot 26695.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/041cc9ab7372caa3f0e531d3702363b62b6a6c04f0cc84d79e54c104f610353f | shasum -a 256