Citaat | Hoge Raad 25 juni 1997

Alinea 10 Hoge Raad 25 juni 1997

Een alinea uit Hoge Raad 25 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2188.

3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het voldoen aan de ter verkrijging van de sloopuitkering op belanghebbende rustende verplichting om het schip te slopen dan wel in afwachting van de sloop definitief uit de vaart te nemen, niet is aan te merken als vervreemding in de zin van voormeld artikel 61b, lid 1, nu hieronder blijkens Hoge Raad 16 januari 1985, BNB 1985/143, moet worden verstaan het aangaan van een obligatoire overeenkomst houdende de verplichting tot levering van een zaak. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat evenmin sprake is van één van de gevallen, vermeld in artikel 61b, lid 2, van de Wet, dat gelet op het uitputtende karakter van die bepaling voor het introduceren van andere fictieve vervreemdingen geen plaats is en dat de stelling van de Inspecteur dat de situatie in wezen niet verschilt van die waarin het schip zou zijn verkocht aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en in diens opdracht zou zijn gesloopt, moet worden verworpen nu in de regeling is gekozen voor een opzet waarin de verantwoordelijkheid voor de sloop van het schip op belanghebbende is gelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/543e66df4471f91b8825fcd2bb564427d14e1f3242e63002c10e848dcf7c323c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 543e66df4471f91b8825fcd2bb564427d14e1f3242e63002c10e848dcf7c323c, en de alinea staat in dat document op bytes 7286 tot 8397.