Citaat | Hoge Raad 25 juni 1997
Alinea 5 Hoge Raad 25 juni 1997
Een alinea uit Hoge Raad 25 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2210.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. Belanghebbende heeft niet alleen bezwaar gemaakt tegen de aan A B.V. opgelegde naheffingaanslag, maar heeft ook haar aansprakelijkheid betwist overeenkomstig artikel 49, lid 3, van de Invorderingswet 1990 (hierna: Iw). In verband daarmee heeft de ontvanger haar op de voet van het bepaalde in het vierde lid van dat artikel gedagvaard voor de burgerlijke rechter. In die procedure was ten tijde van de uitspraak op het door belanghebbende gemaakte bezwaar nog niet een (in kracht van gewijsde gegaan) vonnis verkregen. 3.2. Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat gezien het bepaalde in artikel 50, lid 5, Iw nog geen uitspraak had mogen worden gedaan op het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar. Tegen dit oordeel richt zich middel i. 3.3. In middel i wordt allereerst betoogd dat laatstvermelde bepaling op zichzelf de inspecteur niet verbiedt om reeds voordat in de aansprakelijkheidsprocedure een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is verkregen uitspraak te doen op het bezwaar van de aansprakelijk gestelde tegen de naheffingsaanslag. 3.4. Dit betoog kan in verband met het navolgende niet als juist worden aanvaard. Tot 1 januari 1994 luidde artikel 50, lid 5, Iw: "Door de inspecteur wordt geen uitspraak op het bezwaarschrift gedaan voordat het vonnis in de procedure als bedoeld in artikel 49, vierde lid, kracht van gewijsde heeft verkregen." Aan de bij de Wet van 23 december 1993, Stb. 690 in deze bepaling aangebrachte wijziging lag niet ten grondslag een heroverweging door de wetgever van diens, in de hiervoor aangehaalde wetsbepaling tot uitdrukking gebrachte, opvatting dat samenloop van de fiscale procedure en de procedure voor de burgerlijke rechter diende te worden voorkomen. Onder handhaving van die opvatting werd met de wijziging slechts beoogd "omwille van de duidelijkheid" met het in kracht van gewijsde gaan van het door de burgerlijke rechter te wijzen vonnis aanvangende, termijn te stellen waarbinnen de inspecteur op het bezwaarschrift zou moeten beslissen. Dit in aanmerking genomen staat het bepaalde in artikel 50, lid 5, Iw niet toe dat de inspecteur beslist voordat het vonnis in de procedure als bedoeld in artikel 49, lid 4, Iw kracht van gewijsde heeft verkregen. Het middel faalt in zoverre. 3.5. Middel i faalt ook voor het overige. Anders dan in het middel wordt betoogd verliest de inspecteur door het enkele doen van een uitspraak op een bezwaarschrift niet de bevoegdheid in de beroepsfase het standpunt in te nemen dat hij die uitspraak in verband met het bepaalde in artikel 50, lid 5, Iw nog niet had mogen doen. 3.6. In middelen ii en iii wordt kort gezegd betoogd dat (ii) artikel 50, lid 5, zo moet worden uitgelegd dat wordt voorkomen dat in strijd met artikel 6 EVRM op een essentieel onderdeel van het geschil - de beoordeling van de juistheid van de naheffingsaanslag - de toegang tot de rechter wordt geblokkeerd en dat afgezien daarvan (iii) die bepaling onverbindend is omdat zij ertoe leidt, en in dit geval reeds ertoe heeft geleid, dat de redelijke termijn als bedoeld in genoemde verdragsbepaling wordt overschreden. De middelen stellen, nu de aanslag niet een verhoging omvat zodat de onderhavige aansprakelijkheidsprocedure niet mede is aan te merken als een strafvervolging in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM, voor alles de, door belanghebbende bevestigend beantwoorde, vraag aan de orde of bij die procedure, als geheel beschouwd, derhalve met inbegrip van de procedure als bedoeld in artikel 49, lid 4, Iw, sprake is van het vaststellen van een burgerlijke verplichting in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM. 3.7. Het vaststellen van een aanslag is ten opzichte van de belasting- of inhoudingsplichtige zelf niet aan te merken als het vaststellen van een burgerlijke verplichting in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM. Immers, het gaat daarbij om een financiële verplichting van fiscaalrechtelijke en derhalve publiekrechtelijke aard. Deze verplichting blijft dat karakter behouden ook wanneer een ander op de voet van de Invorderingswet 1990 voor de voldoening daarvan is aansprakelijk gesteld en die ander die verplichting in het kader van de aansprakelijkstelling mag aantasten, teneinde langs die weg (geheel of ten dele) aan de aansprakelijkheid te ontkomen. Ook de middelen ii en iii falen derhalve.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2ff681eb382c610a26a3a5e34a3a9d1ee3e6f4032b8cd0d8246a1eeb494e664. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2ff681eb382c610a26a3a5e34a3a9d1ee3e6f4032b8cd0d8246a1eeb494e664, en de alinea staat in dat document op bytes 6285 tot 10650.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d2ff681eb382c610a26a3a5e34a3a9d1ee3e6f4032b8cd0d8246a1eeb494e664 | shasum -a 256