Citaat | Hoge Raad 29 augustus 1997

Alinea 54 Hoge Raad 29 augustus 1997

Een alinea uit Hoge Raad 29 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2254.

"(...) 5.02. Voor de beoordeling van de vraag of het bedrag wegens vermoedelijke oninbaarheid van de lening ten laste van de jaarwinst kan worden gebracht is van belang of belanghebbende bij het verstrekken en niet incasseren van de lening aan de zoon (...) heeft gehandeld met het oog op de zakelijke belangen van zijn onderneming. 5.03. Uit de voor dit geding vaststaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat door belanghebbende bij het verstrekken en niet incasseren van de lening is gehandeld op een wijze die in het economische verkeer geenszins gebruikelijk is (...), zodat het hof (...) voldoende aannemelijk gemaakt acht dat dit handelen van belanghebbende uitsluitend door privé-overwegingen, althans niet door zakelijke overwegingen, kan zijn ingegeven. (...) 6. (...) De voorziening van f 300.000 wegens vermoedelijke oninbaarheid van de lening dient dan ook te worden aangemerkt als een privé-onttrekking. (...)"

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e970d16528f7a226dc90feab43ea4ee12c89f30184c845042df7e73f5b2d9a56. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e970d16528f7a226dc90feab43ea4ee12c89f30184c845042df7e73f5b2d9a56, en de alinea staat in dat document op bytes 23011 tot 23960.