Citaat | Hoge Raad 22 juli 1997

Alinea 7 Hoge Raad 22 juli 1997

Een alinea uit Hoge Raad 22 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2259.

voortvloeiende indeling van het gebied van het water schap vastgesteld overeenkomstig een tot de geding stukken behorende, gedeeltelijk ingekleurde kaart, die tevoren gedurende een maand ter inzage had gele gen. Volgens het bijschrift van deze kaart :"niet ingekleurd: indeling ongewijzigd", is de indeling van het - ongekleurde - gebied waarin de onroerende zaak van belanghebbende ligt ongewijzigd gebleven, hetgeen meebrengt dat dit perceel, dat vóór de wijziging behoorde tot klasse III respectievelijk B, daarna onder klasse 3 respectievelijk B viel. Klasse 3 omvat blijkens de omschrijving in de Verordening ongebouwde onroerende zaken die, door hun ligging, in mindere mate belang hebben bij de werken van het waterschap, klasse 4 zaken die in geringe mate belang hebben, dan wel nauwelijks of geen direct belang bij die werken hebben maar wel water leveren op, in het beheersge bied van het waterschap liggende, watergangen. 3.3. Naar het oordeel van het Hof behoort het gebied waarin het perceel ligt, tot de nieuw gevormde klasse 4. Redengevend voor dat oordeel is blijkens 's Hofs uitspraak in de eerste plaats de vaststelling dat belanghebbende gemotiveerd heeft betwist dat de waterafvoercoëfficient dichter bij 1,3 liter per hectare per seconde dan bij 0,7 liter/ha/sec. ligt. Die vaststelling, waarin ligt besloten dat het Be stuur zijn desbetreffende stelling tegenover die betwisting niet aannemelijk heeft gemaakt, wordt op zichzelf in cassatie niet bestreden. 3.4. Het eerste middel bestrijdt het onder 3.3 vermelde oordeel met het betoog dat met de verhoudingscijfers 100-75-50-25 % van de omslagklassen 1 tot en met 4 het verschil in lengte watergang per vierkante kilometer tussen de klassen tot uitdrukking is gebracht, dat veel watergangen per vierkante kilo meter en een dicht net van A-watergangen naar verhouding meer kosten veroorzaken, dat het perceel afwatert via een gebied met veel watergangen per vierkan te kilometer en een dicht net van A- of hoofdwater gangen en dat het perceel om die reden is ingedeeld in klasse 3. 3.5. Volgens de toelichting op de wijziging van de Verordening in 1987, aangehaald door het Hof onder 7.4 van zijn uitspraak, komen gebieden met (de laagste) grondwatertrap VII, zoals het perceel heeft, in aanmerking voor indeling in klasse 3 dan wel 4 afhankelijk van onder meer het antwoord op de vraag of de waterafvoercoëfficient 1,3 à 1,5 dan wel 0,6 à 0,7 liter/ha/sec. is. Tegen die achtergrond is de onder 3.3 vermelde redengeving van het Hof alleszins begrijpelijk. De verdere toelichting op de Verordening, zoals aangehaald in de Conclusie van de Advocaat- Generaal onder 5.1.1, bevat geen aanwijzing voor de door het Bestuur gestelde betekenis van de aanwezigheid van (een dicht net van) watergangen in het ge bied waarop (of via hetwelk) een perceel afwatert voor de indeling in klasse 3 dan wel 4. De in middel 1 vervatte motiveringsklacht tegen het in 3.3 vermelde oordeel faalt derhalve. 3.6. Aan zijn onder 3.3 weergegeven redengeving heeft het Hof toegevoegd dat deze te meer klemt omdat blijkens de onder 3.2 genoemde kaart naar aanleiding van de wijziging in 1987 geen andere verschuivingen in betalende waterbeheersingsklassen hebben plaatsgehad dan van klasse II naar 2 en 3 en van klasse III naar 3 en 4. Volgens het tweede middel miskent het Hof aldus dat - zoals het Bestuur blijkens 5.15 van 's Hofs uitspraak ook daar heeft aangevoerd - uit die kaart juist blijkt dat de indeling in omslagklassen in het betrokken gebied ongewijzigd is gebleven. Het middel faalt omdat niet valt in te zien waarom het één in strijd zou zijn met het ander. 3.7. Onder 7.6 van zijn uitspraak noemt het Hof onjuist de door het Bestuur uitgevoerde berekening van wat het Hof opvat als het aandeel dat het subgebied waarin belanghebbendes perceel ligt, heeft in het waterbezwaar van het lager gelegen subgebied van het waterschap. Naar het oordeel van het Hof is dat aandeel niet 60%, zoals het Bestuur had betoogd, maar hoogstens 20%. Middel 3 bestrijdt dat oordeel te recht. Zoals uiteengezet in de Conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.3.6 gaat het hier om een andere vergelijking dan het Hof kennelijk voor ogen stond, namelijk om vergelijking van het aandeel dat 1 hectare van de onderscheiden gebieden heeft in het (totale) waterbezwaar, en is geen sprake van de door het Hof veronderstelde onjuistheid in de berekening van het Bestuur. Nu het Hof op zijn oordeel laat volgen dat bij dit waterbezwaar een indeling in klasse 4 past, gaat het hier kennelijk om een oordeel dat het onder 3.3 vermelde oordeel mede draagt. De uitspraak van het Hof kan derhalve niet in stand blijven. Ver wijzing moet volgen. 3.8. Nu het perceel in kieskring I ligt, faalt middel 4 op de door de Advocaat-Generaal onder 5.4.2 van zijn Conclusie vermelde grond. Alleen indien het perceel na verwijzing in aanmerking mocht blijken te komen voor indeling in klasse 3 ter zake van de water beheersing, zal alsnog dienen te worden onderzocht of het ter zake van de bemaling in klasse B dan wel C thuis hoort.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4eb2434fca30adbca81cddf8d0bb52cc8d386f6950251d910a81f5ded91f6198. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4eb2434fca30adbca81cddf8d0bb52cc8d386f6950251d910a81f5ded91f6198, en de alinea staat in dat document op bytes 7363 tot 12437.