Citaat | Hoge Raad 8 januari 1997

Alinea 7 Hoge Raad 8 januari 1997

Een alinea uit Hoge Raad 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3214.

5. Beoordeling van de middelen 5.1. Ingevolge het tot verwijzing leidende arrest diende het Hof te onderzoeken of de feitelijke werkzaamheden van de Vereniging X, hierna: de Vereni- ging, primair het algemene belang, althans ongeveer in gelijke mate het algemene belang en een particulier belang dienen. 5.2. Uitgaande van de daaromtrent door de Vereniging in haar conclusie na verwijzing verschafte informatie heeft het Hof geoordeeld dat het aantal verenigingsactiviteiten die (primair) een particulier belang dienen, waaronder de wekelijkse repetities en het muziekonderricht aan niet-leden, alsmede de daaraan bestede tijd verre het aantal evenementen die het algemeen belang dienen alsmede de daaraan bestede tijd overtreffen en op die grond geoordeeld dat de feitelijke werkzaamheden van de Vereniging veel meer een particulier belang dan het algemene belang dienen. 5.3. Onderdeel a van middel I richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de wekelijkse repetities, waarin niet voor het publiek muziek ten gehore wordt gebracht, behoren tot de verenigingsactiviteiten die primair een particulier belang dienen. 5.4. Indien het Hof de zinsnede "waarin niet voor het publiek muziek ten gehore wordt gebracht" heeft bedoeld als motivering van dit oordeel, is die motivering niet toereikend. Immers, deze enkele omstandigheid rechtvaardigt die gevolgtrekking niet. Overigens is dit oordeel door het Hof evenwel niet gemotiveerd. Aldus geeft het geen inzicht in de gedachtengang van het Hof. 5.5. Zowel indien het door onderdeel a van middel I bestreden oordeel van het Hof zó moet worden gelezen dat het in het algemeen betrekking heeft op repetities van verenigingen als deze als zó dat het betrekking heeft op de repetities van de leden van de onderhavige vereniging, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. 5.6. Dat alle repetities van verenigingen als deze steeds primair het particuliere belang van de leden dienen, is niet een feit van algemene bekendheid en noch uit de uitspraak van het Hof, dat in deze verwijzingszaak zonder mondelinge behandeling uitspraak heeft gedaan, noch uit de stukken van het geding blijkt waaraan het Hof zijn wetenschap heeft ontleend dat bij de onderhavige vereniging het houden van repetities primair een particulier belang dient. Maar ook indien het bij deze repetities in de eerste plaats zou gaan om het bij wijze van vrijetijdsbesteding samen muziek maken door de leden, valt niet in te zien dat van de aan die repetities bestede tijd in het geheel niets kan worden toegerekend aan de tijd besteed voor werkzaamheden die ten algemene nutte worden verricht. 5.7. Voorts kan de vraag of de werkzaamheden van een culturele instelling ongeveer in gelijke mate het algemene en een particulier belang dienen, zodat die instelling moet worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling in de zin van artikel 24, lid 4, van de Successiewet 1956, niet worden beantwoord, zoals hier door het Hof is gedaan, door van elk uur dat aan verenigingsactiviteiten is besteed, uit te maken of primair het algemene dan wel een particulier belang wordt gediend en vervolgens de aantallen uren van beide categorieën zonder meer op te tellen en te vergelijken. Deze vraag moet ten aanzien van de activiteiten in hun totaliteit beantwoord worden. In verband met die vraag kan zeer wel een verschillend gewicht toekomen aan verschillende activiteiten en de daaraan bestede tijd. Het aanleggen van een zuiver rekenkundige maatstaf, zoals door het Hof is gedaan, is dan ook onjuist. 5.8. Onderdeel a van middel I is derhalve gegrond. 5.9. Ook het uit twee sub-onderdelen bestaande onderdeel b van middel I, dat is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het geven van muziekonderricht aan niet-leden geen algemeen belang dient, is gegrond. Immers ook dit oordeel is door het Hof niet gemotiveerd en, evenmin als dat met betrekking tot het door onderdeel a bestreden oordeel het geval was, valt na te gaan welke hier de gedachtengang van het Hof is geweest. 5.10. Door de gegrondbevinding van middel I kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Middel II behoeft geen behandeling. De zaak moet andermaal worden verwezen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dec04d015651aba43fb3bc562cd018ecbf548b878aab081d7f199a98fd678e34. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dec04d015651aba43fb3bc562cd018ecbf548b878aab081d7f199a98fd678e34, en de alinea staat in dat document op bytes 5653 tot 9832.