Citaat | Hoge Raad 5 februari 1997

Alinea 5 Hoge Raad 5 februari 1997

Een alinea uit Hoge Raad 5 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3248.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In het onderhavige jaar maakte belanghebbende ook voor privé-doeleinden gebruik van een personenauto die zijn werkgever - een besloten vennootschap waarvan hij directeur en enig aandeelhouder was - hem in verband met zijn werkzaamheden ter beschikking had gesteld. In zijn aangifte inkomstenbelasting heeft belanghebbende de vraag of hem een personenauto van zijn werkgever ter beschikking stond, niet beantwoord. De belastingdienst heeft bij belanghebbendes werkgever in de loop van 1986 controles omzetbelasting 1983 en 1984 en vennootschapsbelasting 1984 ingesteld en in de loop van 1989 een controle omzetbelasting 1985 t/m 1988. Bij al deze controles is aandacht besteed aan de omstandigheid dat aan belanghebbende door zijn werkgever een personenauto ter beschikking was gesteld. Tot enige correctie op de aangifte voor de inkomstenbelasting heeft dit niet geleid. In 1992 is een gecombineerd onderzoek voor de vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonbelasting bij de werkgever ingesteld. Daarbij bleek wederom van de ter beschikking stelling van een auto. Dit gaf de Inspecteur aanleiding (onder andere) de onderhavige navorderingsaanslag op te leggen. 3.2. Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat vóór 1992 gehouden controles niet in opdracht van de onderhavige inspecteur zijn ingesteld en dat de naar aanleiding van de controles opgestelde rapporten niet aan hem ter kennis zijn gebracht. Daaraan heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat ingeval aan inspecteurs der invoerrechten en der vennootschapsbelasting met betrekking tot het niet- renseigneren van gegevens een ambtelijk verzuim zou zijn te verwijten, dit niet aan de onderhavige inspecteur kan worden toegerekend, waarmee het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat de eventuele aan die controles ontleende wetenschap van die andere inspecteurs betreffende de door de werkgever aan belanghebbende ter beschikking gestelde personenauto niet aan deze inspecteur kan worden toegerekend. Aldus opgevat geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpe- lijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. 3.3. Belanghebbende had in zijn aangifte niet vermeld dat hem een personenauto door zijn werkgever ter beschikking was gesteld. Het Hof heeft op grond daarvan en in samenhang met hetgeen onder 3.2 is vermeld, geoordeeld dat "ook na de invoering op 1 januari 1991 van de geïntegreerde werkwijze" de Inspecteur beschikte over een de navordering rechtvaardigend nieuw feit. Dit oordeel is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Immers, in de door belanghebbende bij de aanvulling van zijn beroepschrift voor het Hof gevoegde bijlage is opgenomen een ter attentie van belanghebbende verzonden brief van de Inspecteur gedateerd 16 februari 1992 - hetgeen kennelijk 16 februari 1993 moet zijn - waarin na bespreking van op grond van de autokostenfictie aan te brengen correcties over de jaren 1987 tot en met 1989 het volgende is vermeld:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2d24dda9f3dcb9603c92c47c55ad1011cb4ebcbf109bbfccbacfe6c30f5c042. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2d24dda9f3dcb9603c92c47c55ad1011cb4ebcbf109bbfccbacfe6c30f5c042, en de alinea staat in dat document op bytes 5575 tot 8714.