Citaat | Hoge Raad 21 maart 1997

Alinea 64 Hoge Raad 21 maart 1997

Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA4945.

De Hoge Raad is van oordeel dat in redelijkheid aan twijfel onderhevig is in hoeverre hetgeen het Hof van Justitie in zijn in 4.3 aangehaalde verklaringen voor recht heeft beslist met betrekking tot de communautaire verplichtingen van de nationale rechter, ook geldt voor arbiters. Deze twijfel komt mede hieruit voort dat, zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 23 maart 1982 in zaak 102/81 (Nordsee), Jurispr. 1982, p. I-1095, NJ 1983, 149, een scheidsgerecht als het onderhavige, dat zonder overheidsbemoeienis is ingesteld op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst, niet is te beschouwen als een rechterlijke instantie in de zin van art. 177 EG-Verdrag en derhalve niet op de voet van dit artikel prejudiciële vragen kan stellen, terwijl naar Nederlands recht een arbitraal vonnis slechts op de in art. 1065 Rv. vermelde gronden door de rechter kan worden vernietigd en, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, geen sprake is van strijd met de openbare orde in de zin van art. 1065 lid 1, aanhef en onder e, indien de beslissing van arbiters in strijd is met het bepaalde in art. 85 EG-Verdrag, dan wel arbiters hebben nagelaten ambtshalve daaraan toepassing te geven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bca77fa145fbcdbaca2b0e8d45d1074ef2427759a7de3fe22a2ea57aa6f31f8a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bca77fa145fbcdbaca2b0e8d45d1074ef2427759a7de3fe22a2ea57aa6f31f8a, en de alinea staat in dat document op bytes 20249 tot 21455.