Citaat | Hoge Raad 21 februari 1997

Alinea 51 Hoge Raad 21 februari 1997

Een alinea uit Hoge Raad 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286.

3.10 Evenmin staan aan toewijsbaarheid van een vordering als voormeld bezwaren in de weg, ontleend aan de gedachte van voordeelstoerekening. Met name dient het standpunt te worden verworpen, dat het enkele feit dat het gezin met een gezond kind wordt uitgebreid, reeds een immaterieel voordeel oplevert dat tegen elke vermogensschade van de onderhavige aard opweegt. In de eerste plaats strookt het niet met de hiervoor in 3.7 ontwikkelde gedachtengang om reeds op grond van dit enkele feit elke aansprakelijkheid te dezer zake van de arts te laten vervallen. In de tweede plaats zou het, gegeven het uitgangspunt dat de schade is ontstaan door het doorkruisen van een mede door financiële verwachtingen ingegeven gezinsplanning, ook niet redelijk zijn in de zin van art. 6:100. Veeleer moet ervan worden uitgegaan dat immateriële voordelen slechts in rekening behoren te worden gebracht bij de vaststelling van eventuele immateriële schade.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/da9c854f43cd6082e9a678ae77c669c832040b074869ae9cb9b9164893401f6e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt da9c854f43cd6082e9a678ae77c669c832040b074869ae9cb9b9164893401f6e, en de alinea staat in dat document op bytes 20794 tot 21752.