Citaat | Hoge Raad 28 maart 1997

Alinea 59 Hoge Raad 28 maart 1997

Een alinea uit Hoge Raad 28 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2318.

Daarvan uitgaande heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat in de omstandigheden van het onderhavige geval — waaronder de hoge lasten van het huwelijk, het relatief niet zeer hoge inkomen van de man en het relatief lage bedrag dat de man ten huwelijk heeft aangebracht en staande huwelijk heeft verkregen — het saldo aan liquide middelen (geld en effecten) dat aan het einde van het huwelijk aanwezig was, zozeer mede is opgebouwd door bijdragen die de vrouw uit haar, relatief grote, vermogen en uit haar inkomsten, onverplicht aan de bestrijding van de lasten van het huwelijk heeft geleverd, dat toepassing van de hiervoor aangehaalde bepalingen van de huwelijkse voorwaarden in het licht van redelijkheid en billijkheid meebrengt dat dit saldo, zoals dit in 's Hofs arrest nader wordt bepaald, tussen partijen in gelijke delen moet worden gedeeld, zonder er rekening mee te houden dat de man zijn aanbrengsten ten huwelijk en verkrijgingen staande huwelijk wellicht nog zou kunnen traceren. Daarbij heeft het Hof kennelijk in aanmerking genomen dat partijen de verschillende in 's Hofs arrest bedoelde bankrekeningen op zodanige wijze hebben gebruikt dat het — zoals het Hof klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen — zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, zou zijn het aanwezige saldo van overgespaarde inkomsten op afdoende wijze te scheiden van eventueel aanwezige privévermogensbestanddelen, terwijl hetzelfde geldt voor de met deze saldi aangeschafte effecten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/de83c609b0d3f5d4517f93843e75cd2e1c0c051827ae4f4d12621d4ca04ef23e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt de83c609b0d3f5d4517f93843e75cd2e1c0c051827ae4f4d12621d4ca04ef23e, en de alinea staat in dat document op bytes 16659 tot 18158.