Citaat | Hoge Raad 14 november 1997

Alinea 49 Hoge Raad 14 november 1997

Een alinea uit Hoge Raad 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495.

Vervolgens heeft de Rechtbank in rov. 11 van haar vonnis de vraag onder ogen gezien of sprake was van een zodanige gezagsverhouding — welk kenmerk sedert de inwerkingtreding van titel 10 van Boek 7 BW besloten ligt in de zinsnede ‘’in dienst van de andere partij’’ in art. 7:610 BW — dat niettemin van een arbeidsovereenkomst moet worden gesproken, welke vraag de Rechtbank ontkennend heeft beantwoord. Zij heeft de omstandigheid dat [eiser] op vastgestelde tijden aanwezig diende te zijn en door Schoevers gegeven richtlijnen diende te respecteren, in het licht van de overige door haar vastgestelde omstandigheden onvoldoende geacht voor een bevestigende beantwoording van voormelde vraag, waarbij zij kennelijk en met juistheid mede van betekenis heeft geacht dat ook in geval van een overeenkomst van opdracht de opdrachtgever bevoegd is de opdrachtnemer aanwijzingen te geven (vgl. art. 7:402 BW).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39963aedb2d857abe925605cf5491cdba2da79af577f8a41b3086027f6e0a0a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39963aedb2d857abe925605cf5491cdba2da79af577f8a41b3086027f6e0a0a0, en de alinea staat in dat document op bytes 13292 tot 14220.