Citaat | Hoge Raad 14 november 1997

Alinea 54 Hoge Raad 14 november 1997

Een alinea uit Hoge Raad 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495.

Voorzover onderdeel 5 de Rechtbank verwijt de omvang van de werkzaamheden buiten beschouwing te hebben gelaten, mist het feitelijke grondslag, omdat in de overwegingen van de Rechtbank besloten ligt dat zij ook die omvang in aanmerking heeft genomen. De klacht dat de Rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de stelling dat de vennootschap geen uitleenvergunning had, stuit hierop af dat de Rechtbank niet heeft aangenomen dat van uitlening sprake was. De overige in onderdeel 5 genoemde stellingen van [eiser] betreffen omstandigheden waaraan rechtens niet meer betekenis zou kunnen worden toegekend dan die van aanwijzingen dat Schoevers de rechtsverhouding als een arbeidsovereenkomst beschouwde. Nu de Rechtbank op grond van de door haar vermelde omstandigheden tot de conclusie kwam dat dit laatste niet het geval was, behoefde zij niet met zoveel woorden aan te geven waarom de in het onderdeel genoemde omstandigheden haar niet tot een ander oordeel hadden gebracht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39963aedb2d857abe925605cf5491cdba2da79af577f8a41b3086027f6e0a0a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39963aedb2d857abe925605cf5491cdba2da79af577f8a41b3086027f6e0a0a0, en de alinea staat in dat document op bytes 15661 tot 16651.