Citaat | Hoge Raad 29 april 1997

Alinea 116 Hoge Raad 29 april 1997

Een alinea uit Hoge Raad 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0146.

Eind juli 1993 zat ik bij [betrokkene 4] in de auto. Een juiste datum en tijd kan ik me niet meer herinneren. We zaten te praten en tijdens dit gesprek hoorde ik, dat [betrokkene 4] nog een bemanningslid zocht voor een boot, welke op Antigua lag. Ik meldde me spontaan aan als bemanningslid. Op dat moment was me niet bekend met welk doel deze boot verplaatst moest worden. Wel vertelde hij mij, dat [betrokkene 9] en [betrokkene 4] zelf ook meegingen. Na enkele dagen hoorde ik, dat [betrokkene 9] en ik zouden vertrekken. Het was de bedoeling, dat we samen met het vliegtuig naar Antigua zouden gaan. Voorafgaande aan mijn vertrek ontving ik van [betrokkene 4] een bedrag van f. 5.000, -. [betrokkene 9] en ik vertrokken op het Centraal Station in Amsterdam. Ik hoor van jullie, dat het 30 juli 1993 betrof. Ik kan me die datum niet meer herinneren, doch ik weet wel, dat het eind juli 1993 was. [betrokkene 9] en ik gingen met de trein naar Brussel; alwaar we op de luchthaven vliegtickets kochten. We boekten een reis via Londen naar Antigua. Deze tickets werden betaald door [betrokkene 9] . [betrokkene 9] had namelijk geld bij zich om de reis- en verblijfkosten te betalen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/03ef99ea347ed1946411c9e60d8994f9f90d4e4087fced95113c30d0dd5c5a06. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 03ef99ea347ed1946411c9e60d8994f9f90d4e4087fced95113c30d0dd5c5a06, en de alinea staat in dat document op bytes 34671 tot 35864.