Citaat | Hoge Raad 31 augustus 1998

Alinea 38 Hoge Raad 31 augustus 1998

Een alinea uit Hoge Raad 31 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2360.

"(...) De bevoegdheid om, zoo mogelijk, ambtshalve te casseeren, is uit den aard der zaak voor den Hoogen Raad tevens een plicht. Aangezien nu een uitspraak òf cassabel, òf niet-cassabel is, komt het er - afgezien van de geringe kans dat de waakzaamheid van onzen hoogsten rechter een oogenblik verslapt - niet zoo heel veel op aan, welke cassatiemiddelen het beroepschrift inhoudt. (...) (blz. 209) (...) Kan (...) een appellant in cassatie dus met een buitengewoon sober beroepschrift volstaan, de hoffelijkheid brengt mede, dat hij zijn gedachten duidelijk uitdrukt. Aldus vat ook de practijk het op. (...) (blz. 213) (...) Een dictum rust (...) op onaantastbare en voldoende gronden, òf dit is niet het geval. Doet dit laatste zich voor, dan moet de uitspraak, komt zij voor den Hoogen Raad, gecasseerd worden, desnoods ambtshalve."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7ea76f3ed426dfaf19567b3ba61dc4b38ee9ec14b6e188533f5e472612e2859. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7ea76f3ed426dfaf19567b3ba61dc4b38ee9ec14b6e188533f5e472612e2859, en de alinea staat in dat document op bytes 12370 tot 13224.