Citaat | Hoge Raad 31 augustus 1998

Alinea 45 Hoge Raad 31 augustus 1998

Een alinea uit Hoge Raad 31 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2360.

"(...) Art. 22. 1. De griffier (...) zendt een (...) afschrift van het beroepschrift (...) aan degene, die mede tot het instellen van beroep in cassatie gerechtigd was. 2. Deze (...) kan (...) een (...) vertoogschrift indienen. 3. De griffier (...) zendt een (...) afschrift van het vertoogschrift (...) aan de partij, die beroep in cassatie heeft ingesteld. Art. 23. 1. Indien (...) door degene, die beroep in cassatie heeft ingesteld, (...) is verzocht de zaak mondeling te mogen toelichten, bepaalt de voorzitter (...) dag en uur, waarop de zaak door de advocaten van partijen zal kunnen worden bepleit. (...) Art. 25. (1e volzin) Wanneer de Hoge Raad, hetzij op de in het beroepschrift aangevoerde, hetzij op andere gronden, de uitspraak (...) vernietigt, beslist hij (...) de hoofdzaak. (...)"

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7ea76f3ed426dfaf19567b3ba61dc4b38ee9ec14b6e188533f5e472612e2859. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7ea76f3ed426dfaf19567b3ba61dc4b38ee9ec14b6e188533f5e472612e2859, en de alinea staat in dat document op bytes 15299 tot 16111.