Citaat | Hoge Raad 4 februari 1998
Alinea 6 Hoge Raad 4 februari 1998
Een alinea uit Hoge Raad 4 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2414.
3. Beoordeling van de klacht 3.1. In geval - zoals daarvan in casu moet wor den uitgegaan - een beroepschrift bij het gerechtshof niet is ingediend binnen de in artikel 6:7 jo. artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn, dit beroep niet wordt behandeld met toepassing van artikel 18a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, en de wederpartij geen beroep op niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft gedaan waarop de belanghebbende heeft kunnen reageren, brengen de beginselen van een behoorlijke rechtspleging mee dat de rechter niet de niet-ontvankelijkheid van het beroep uitspreekt alvorens hij de belanghebbende uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld feiten aan te voeren, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. 3.2. Nu uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat aan belanghebbende de hiervóór in 3.1 genoemde gelegenheid is geboden, is 's Hofs beslissing niet naar de eis der wet met rede nen omkleed, zodat de klacht gegrond is en de uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7dfd0edef15144425be402c8c142a39f03894f9a1ded5145547ddc76c709b522. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7dfd0edef15144425be402c8c142a39f03894f9a1ded5145547ddc76c709b522, en de alinea staat in dat document op bytes 5242 tot 6406.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7dfd0edef15144425be402c8c142a39f03894f9a1ded5145547ddc76c709b522 | shasum -a 256