Citaat | Hoge Raad 26 augustus 1998

Alinea 8 Hoge Raad 26 augustus 1998

Een alinea uit Hoge Raad 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2543.

3.3. De middelen I en V betogen dat belanghebbende geen prestatie in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) verricht en dat de stichting geen verbruik in de zin van het stelsel van de belasting op toegevoegde waarde heeft. Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 29 februari 1996 (Mohr), zaak C-215/94, Jurisprudentie 1996, I-959, eveneens te kennen uit BNB 1997/32, houdt het stelsel van belasting op toegevoegde waarde in dat sprake dient te zijn van verbruik in de zin van dit stelsel, en zijn verbintenissen die de bevoegde nationale autoriteiten geen voordeel opleveren geen diensten in de zin van artikel 6, lid 1, van de Zesde Richtlijn. De feiten laten geen andere conclusie toe dan dat in het onderhavige geval geen sprake is van vorenbedoeld verbruik en dat de door belanghebbende verrichte prestaties werkzaamheden van belanghebbende ten eigen behoeve zijn, die noch de stichting noch daarmee de nationale autoriteiten een voordeel hebben opgeleverd. De onderwerpelijke prestaties vormen derhalve niet een dienst in de zin van de Zesde Richtlijn en daarmee ook geen dienst in de zin van de Wet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/00a4392ef73cff78e38a7881976bfd3e536eb8fd3d8650fc4965d0a2937de969. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 00a4392ef73cff78e38a7881976bfd3e536eb8fd3d8650fc4965d0a2937de969, en de alinea staat in dat document op bytes 8612 tot 9793.