Citaat | Hoge Raad 9 december 1998

Alinea 5 Hoge Raad 9 december 1998

Een alinea uit Hoge Raad 9 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2613.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende is een te Z (Duitsland) gevestigd wereldwijd opererend ingenieursbureau dat is gespecialiseerd in het ontwerpen en het construeren van afvalverbrandingsinstallaties. Op 27 april 1988 tekenden belanghebbende en de Gemeentelijke Vuilverbranding Dordrecht (hierna: Gevudo) een (turnkey)overeenkomst, ingevolge welke belanghebbende de eerste deelopdracht en, zo partijen dat zouden overeenkomen, de volgende opdrachten zou verkrijgen voor de uitbreiding en verbetering van de gehele vuilverbranding, met alle daarbij behorende leveringen en werkzaamheden met uitzondering van de bouwtechnische werkzaamheden, die door of namens Gevudo zouden worden verricht. De eerste deelopdracht, waarvan de uitvoering in april 1988 startte, bestond uit drie fasen, die per fase op een bepaalde datum moesten worden opgeleverd. Het geheel moest binnen 48 maanden na ondertekening gebruiksklaar worden overgedragen. Op 17 maart 1989 werden door Gevudo verdere deelopdrachten aan belanghebbende verleend. 3.1.2. Volgens de overeenkomst diende belanghebbende te zorgen voor afsluitbare ruimten voor opslag van gereedschappen en dergelijke, alsmede voor de nodige schaftlokalen, toiletten, kleedruimtes en eventuele kantoorruimte ten behoeve van haar personeel en dat van eventuele onderaannemers en toeleveranciers. Belanghebbende had op de bouwplaats geen eigen bouwkeet, doch had toegang tot door Gevudo ter beschikking gestelde faciliteiten, waarvan ook door personeel van Gevudo gebruik werd gemaakt. Voor het gebruik van deze faciliteiten heeft belanghebbende geen vergoeding aan Gevudo betaald. 3.1.3. Belanghebbende was ingevolge de overeenkomst verplicht bij volmacht één of meer personen aan te wijzen die haar konden vertegenwoordigen in zaken het werk betreffende. Als gemachtigde is de in Nederland wonende, sedert 1 november 1988 bij belanghebbende in dienstbetrekking werkzame H aangewezen, die tevens als "Bauleiter" voor het gehele project is aangesteld. 3.1.4. Belanghebbende voert de administratie van haar gehele bedrijf in Z. Voor het project in R voerde zij een afzonderlijke projectadministratie, waarin het resultaat van dat project zichtbaar werd. In R werd een kasadministratie met betrekking tot kleinere uitgaven, beperkt door een budget van f 1.000,--, gevoerd en waren tijdschema's en technische schema's aanwezig. Voor het overgrote deel heeft belanghebbende het project uitbesteed aan onderaannemers. 3.1.5. H was in R bijna continu aanwezig. Verder werkten met enige regelmaat, doch nooit langer dan 183 dagen, Duitse werknemers van belanghebbende in Nederland, die zich bezig hielden met planning, controle en coördinatie van het project. De lonen voor de Duitse werknemers werden in Z uitbetaald. Daar werd ook Duitse Lohnsteuer ingehouden en afgedragen. Duitse werknemers en, in de meeste gevallen, ook H waren aanwezig bij de bouwvergaderingen die volgens het contract éénmaal per maand moesten worden gehouden en plaats vonden in het gebouw van Gevudo. 3.1.6. Met ingang van 1 januari 1989 is belanghebbende bij de inspectie der directe belastingen te P ingeschreven als inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, lid 1, aanhef en letter a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) ten aanzien van H. 3.2. Het Hof heeft onderzocht of Nederland op grond van het te dezen toepasselijke Belastingverdrag tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland, gesloten op 16 juni 1959, (hierna: het Verdrag) bevoegd is loonbelasting te heffen over de inkomsten van de in Duitsland wonende werknemers van belanghebbende voorzover deze betrekking hebben op de in Nederland verrichte werkzaamheden. Daarbij ging het met name om de vraag of in afwijking van de in artikel 10, lid 1, van het Verdrag neergelegde hoofdregel, die heffing terzake van inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid door de werkstaat (Nederland) toelaat, de in lid 2 van dat artikel neergelegde uitzondering van toepassing is, zodat de belastingheffing van de Duitse werknemers aan Duitsland zou zijn toegewezen. Het Hof heeft de uitzondering niet van toepassing geacht en daartoe, voorzover in cassatie van belang, redengevend geoordeeld dat niet is voldaan aan het voor toepassing van de uitzondering ingevolge artikel 10, lid 2, onder 3, van het Verdrag geldende vereiste dat de werknemers niet ten laste van een zich in Nederland bevindende vaste inrichting van de werkgever voor hun werkzaamheden vergoeding ontvangen. 's Hofs oordeel dat sprake is van een vaste inrichting in de zin van het Verdrag is niet gebaseerd op de in artikel 2, lid 1, onder 2, van het Verdrag gegeven algemene omschrijving van dat begrip, maar op het bepaalde in dat artikellid onder 2, letter a, onder gg, dat als volgt luidt: "a. Als vaste inrichtingen worden met name beschouwd: (..) gg. uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ae1ed2727f6cccfea4721d7c270264b037cc64510ef9223d40ed5a9de57e8b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ae1ed2727f6cccfea4721d7c270264b037cc64510ef9223d40ed5a9de57e8b1, en de alinea staat in dat document op bytes 5631 tot 10621.