Citaat | Hoge Raad 9 december 1998

Alinea 6 Hoge Raad 9 december 1998

Een alinea uit Hoge Raad 9 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2613.

3.3. Het eerste middel stelt aan de orde dat het Hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de zojuist aangehaalde bepaling, omdat, indien de werkzaamheden van een onderneming zich beperken tot het plannen en het houden van supervisie, deze onderneming geen vaste inrichting heeft in vorenbedoelde zin. 3.4. Het middel miskent echter dat het Hof onder meer op grond van de onder 3.1.1. vermelde (turnkey)overeenkomst heeft geoordeeld dat het integrale werk waartoe belanghebbende bij die overeenkomst de eerste deelopdracht heeft verkregen de uitbreiding en verbetering van de bestaande vuilverbranding en aanverwante installaties omvat en dat belanghebbende zich tegenover de opdrachtgever heeft verplicht de constructiewerkzaamheden naar de eisen van goed en deugdelijk werk te verrichten. In dit oordeel, dat als van feitelijke aard en in het licht van de gedingstukken toereikend gemotiveerd in cassatie moet worden geëerbiedigd, ligt besloten dat de werkzaamheden van belanghebbende zich niet hebben beperkt tot planning en supervisie. In zoverre faalt het middel wegens gemis aan feitelijke grondslag. Het middel faalt ook voor het overige, omdat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende bij de uitvoering van het werk gebruik heeft gemaakt van onderaannemers niet afdoet aan het oordeel dat hier sprake is van de uitvoering van constructiewerkzaamheden door belanghebbende als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder 2, letter a, onder gg, van het Verdrag. Aan dit oordeel doet evenmin af dat bouwtechnische werkzaamheden door of namens Gevudo werden verricht. Voorzover het middel een beperktere uitleg bepleit van het begrip uitvoering van constructiewerkzaamheden in de zin van evengenoemde bepaling, faalt het omdat daarvoor geen steun is te vinden in de tekst van die bepaling, noch in de toelichting op de overeenkomstige bepaling van het OESO- Modelverdrag van 1963, dat voor zover thans van belang overeenstemt met het Report of the fiscal committee of the O.E.E.C van 1958, waarop de bepaling van het Verdrag is gebaseerd (vergelijk de in de Conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2.2., 2.4. en 2.5. vermelde gegevens), noch in de toelichtingen op de latere OESO-Modelverdragen. Het eerste middel faalt. 3.5. De in het tweede middel vervatte klachten berusten op het betoog dat de in artikel 2, lid 1, onder 2, letter a, onder gg, van het Verdrag genoemde uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt, slechts kan worden opgevat als een voorbeeld van een vaste inrichting in de zin van artikel 2, lid 1, onder 2, eerste volzin van het Verdrag, zodat tevens moet zijn voldaan aan de algemene criteria van een vaste inrichting in de zin van laatstgenoemde bepaling, wil sprake zijn van een vaste inrichting in de zin van het Verdrag. Het middel beroept zich daartoe op de toelichting op de overeenkomstige bepalingen in artikel 5, lid 2, van het OESO-Modelverdrag van 1963, waarop de onderhavige bepalingen van het Verdrag zijn gebaseerd. 3.6. Dit betoog kan evenwel niet als juist worden aanvaard. In het OESO-Modelverdrag van 1963 en het daaraan voorafgegane, hiervoor onder 3.4. vermelde Report van 1958 stond de bepaling met betrekking tot de uitvoering van werken in artikel 5, lid 2, genoemd als één van de voorbeelden ("prima facie examples") van gevallen die a priori als een vaste inrichting in de zin van het Modelverdrag kunnen worden beschouwd. In latere versies van het OESO-Modelverdrag is de bepaling met betrekking tot de uitvoering van werken in een afzonderlijk lid 3 ondergebracht. Zulks is echter kennelijk slechts op grond van overwegingen van systematiek geschied, en niet wegens een gewijzigd inzicht omtrent de betekenis van die bepaling voor langer dan twaalf maanden durende bouw- en constructiewerkzaamheden. Uit de onderbrenging van de bepaling in een afzonderlijk artikellid kan derhalve niet worden afgeleid dat in op de eerdere versies van het OESO-modelverdrag gebaseerde verdragen zoals het onderhavige bedoeld is de uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt slechts dan als vaste inrichting te beschouwen indien tevens is voldaan aan de in het algemeen geldende criteria voor het aannemen van een vaste inrichting. De bepaling van artikel 2, lid 1, onder 2, letter a, onder gg, van het Verdrag moet in overeenstemming met de uiteenzettingen in de Conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2.6., 2.15. en 2.17. veeleer worden gezien als een uitbreiding van het begrip vaste inrichting waarbij de uitvoering van de bedoelde werkzaamheden een vaste inrichting wordt geacht te zijn indien de werkzaamheden langer dan twaalf maanden duren. Het van een andere opvatting uitgaande tweede middel faalt. 3.7. 's Hofs oordeel dat de lonen van de in Duitsland wonende werknemers in de zin van artikel 10, lid 2, onder 3, van het Verdrag ten laste van de vaste inrichting in Nederland zijn ontvangen, wordt door het derde middel bestreden. Voor dit oordeel heeft het Hof, ervan uitgaande dat het onderhavige project in R een vaste inrichting in de zin van het Verdrag vormt, beslissende betekenis gehecht aan de omstandigheid dat uit de vaststaande feiten blijkt dat voor het project een afzonderlijke projectadministratie werd gevoerd, waarin het resultaat van het project zichtbaar werd. Daaraan heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat de loonkosten in de projectadministratie ten laste van het project zijn gebracht. 3.8. Het Hof heeft door beslissende betekenis te hechten aan een afzonderlijke projectadministratie met betrekking tot de vaste inrichting te R, waarin de loonkosten van de daar met enige regelmaat werkzame in Duitsland wonende werknemers ten laste van het project zijn gebracht, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het middel verdedigt, is voor de toepassing van artikel 10, lid 2, onder 3, van het Verdrag niet vereist dat (daarnaast) blijkt dat de lonen op enigerlei andere wijze feitelijk (als zodanig) aan de vaste inrichting zijn doorberekend of dat de feitelijke betaling door de vaste inrichting is geschied. 's Hofs oordeel en de daaraan verbonden gevolgtrekking kunnen voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht en zijn ook niet onbegrijpelijk. Het derde middel faalt derhalve. 3.9. Het Hof heeft op grond van de omstandigheid dat belanghebbende terzake van het loon van de in Nederland woonachtige H via de bedrijfsinrichting te R loonbelasting heeft ingehouden kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat niet in geschil was dat belanghebbende, in ieder geval wat H betreft, voor de toepassing van artikel 6, lid 2, letter a, van de Wet te R over een vaste inrichting in de zin van die wetsbepaling beschikte. Dit oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden uitleg van de standpunten van partijen en is in het licht van de gedingstukken ook niet onbegrijpelijk, zodat dit in cassatie moet worden geëerbiedigd. Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof vervolgens kennelijk en terecht geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot de inhoudingsplicht ingevolge de Wet ten opzichte van de in Duitsland wonende werknemers niet een ander standpunt kon innemen, zodat het ook ten aanzien van die werknemers ervoor kon worden gehouden dat belanghebbende over een vaste inrichting in de zin van de Wet beschikte, en nog slechts behoefde te worden onderzocht of belanghebbende ook voor de toepassing van het Verdrag in Nederland over een vaste inrichting beschikte. Het voorgaande brengt met zich dat ook het vierde middel niet tot cassatie kan leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ae1ed2727f6cccfea4721d7c270264b037cc64510ef9223d40ed5a9de57e8b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ae1ed2727f6cccfea4721d7c270264b037cc64510ef9223d40ed5a9de57e8b1, en de alinea staat in dat document op bytes 10629 tot 18342.