Citaat | Hoge Raad 8 september 1998
Alinea 30 Hoge Raad 8 september 1998
Een alinea uit Hoge Raad 8 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1239.
4.5. Vooropgesteld moet worden dat het wettelijk stelsel meebrengt dat (i) degene die bij de rechter-commissaris dan wel ter terechtzitting als getuige wordt gehoord gehouden is op alle hem gestelde vragen te antwoorden, behoudens voorzover hem het recht toekomt zich te verschonen en hij op dat recht een beroep doet (vgl. de artikelen 217 tot en met 219A, 221, eerste lid, en 294, eerste lid, Sv en art. 192 Sr), (ii) de rechter de vragen kan stellen die hem dienstig voorkomen en (iii) het aan hem is voorbehouden ambtshalve of op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte te beletten dat door de getuige aan enige vraag, gesteld door de verdachte of diens raadsman of de officier van justitie, gevolg wordt gegeven (vgl. art. 293, eerste lid, Sv).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/32691c7ef8740928944a569148e8680df184342b6745d6cee9e534f5a652876a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 32691c7ef8740928944a569148e8680df184342b6745d6cee9e534f5a652876a, en de alinea staat in dat document op bytes 13304 tot 14097.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/32691c7ef8740928944a569148e8680df184342b6745d6cee9e534f5a652876a | shasum -a 256