Citaat | Hoge Raad 10 november 1999

Alinea 11 Hoge Raad 10 november 1999

Een alinea uit Hoge Raad 10 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2621.

3.1. Hetgeen het Hof in zijn uitspraak onder 6.1 tot en met 6.4 heeft overwogen moet aldus worden begrepen dat het Hof op grond van de door de Inspecteur aangevoerde argumenten heeft geoordeeld dat de ten processe vaststaande feiten het vermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende de onroerende zaak met toebehoren heeft gekocht met het oogmerk om deze op korte termijn met - een voor hem voorzienbaar - voordeel te verkopen, en dat belanghebbende dit vermoeden niet heeft ontzenuwd. Kennelijk heeft het Hof hierbij aangenomen dat belanghebbende wat betreft de mogelijkheid van een profijtelijke wederverkoop een informatievoorsprong had ten opzichte van derden, hierin bestaande dat degene die de woonboerderij reeds na twee dagen kocht onder de overeengekomen voorwaarden, gegadigde was voor de woonboerderij.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2c9be980b2b131a5ca8acc89ab5fd2dc556691f60fe1b28a04d5cbdad247f9e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2c9be980b2b131a5ca8acc89ab5fd2dc556691f60fe1b28a04d5cbdad247f9e8, en de alinea staat in dat document op bytes 4900 tot 5724.