Citaat | Hoge Raad 30 juni 1999

Alinea 7 Hoge Raad 30 juni 1999

Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2813.

rentevergoeding toen 7% was, moet worden aangenomen dat overeenkomstig de bedoeling van partijen bij de overeen- komst van geldlening telkenjare 7% (= f 140,-- per obligatie) op de genoten aandelen werd gestort en dat de rentelast derhalve ook op f 140,-- per obligatie moet worden gesteld. Latere wijzigingen van de beurskoers van de aandelen liggen aldus in de kapitaalsfeer van belang- hebbende en raken haar verlies- en winstrekening niet. Het vorenstaande brengt met zich dat belanghebbende het voor dat geval niet betwiste bedrag van f 10.062.500,-- als rentevergoeding ten laste van haar fiscale winst mag brengen. Voor het waarderen van de schuld op enige contante waarde bestaat alsdan evenmin enige grond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73ea05ec3aedba874a6f5b2d46e610671ad6971a22131ab0513aa5bcffbbb2ef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73ea05ec3aedba874a6f5b2d46e610671ad6971a22131ab0513aa5bcffbbb2ef, en de alinea staat in dat document op bytes 7372 tot 8101.