Citaat | Hoge Raad 10 december 1999

Alinea 40 Hoge Raad 10 december 1999

Een alinea uit Hoge Raad 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3842.

3.4 Onderdeel 2 betoogt dat het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 3.3 te oordelen dat, zoals de vader had aangevoerd, de Rechtbank in de beschikking van 16 november 1994 ten onrechte de in art. 1:403 BW bedoelde vervaltermijn van vijf jaren niet ambtshalve heeft toegepast, doch dat zulks geen grond is voor wijziging overeenkomstig het bepaalde in art. 1:401 lid 4 BW. Het onderdeel betoogt voorts dat het Hof in rov. 3.3 ten onrechte heeft overwogen dat de vader ter zake geen belang heeft daar de moeder ter zitting heeft toegezegd de in de vijf jaren voor het indienen van het verzoekschrift vervallen termijnen niet te executeren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f27104f496ed73e10525877fb6be109a9dbbc4988ae9903d38409461d65a56cd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f27104f496ed73e10525877fb6be109a9dbbc4988ae9903d38409461d65a56cd, en de alinea staat in dat document op bytes 13983 tot 14668.