Citaat | Hoge Raad 16 juni 1999

Alinea 16 Hoge Raad 16 juni 1999

Een alinea uit Hoge Raad 16 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AE8721.

3.3. Het Hof heeft belanghebbendes lezing onwaar-schijnlijk en ongeloofwaardig geoordeeld (onderdeel 4.6 van zijn uitspraak) en geoordeeld dat door de Inspecteur aannemelijk is gemaakt dat het in 1986 in Zwitserland in contanten opgenomen bedrag aan belanghebbende persoonlijk ten goede is gekomen (onderdeel 4.7). Aldus heeft het Hof een op zijn waardering van de, door het college in onderlinge samenhang beschouwde, bewijsmiddelen berustend oordeel van feitelijke aard gegeven, hetwelk in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst en dat geen nadere motivering behoefde. Daarvan uitgaande heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat het op de weg van belanghebbende als meest gerede partij ligt bewijs bij te brengen voor zijn stelling dat het in 1986 ter beschikking staande vermogen hem in 1990 niet meer, of niet meer in die omvang, toebehoorde (onderdeel 4.7). Bij dit oordeel is het Hof, gelet op de omstandigheden van het geval, niet uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast. Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende in dat bewijs niet is geslaagd. Dat oordeel, dat eveneens berust op 's Hofs waardering van de bewijsmiddelen, kan in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst en behoefde geen nadere motivering. Voorzover de klachten de voormelde oordelen bestrijden, falen zij derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97f75dc70c12e64c93c37e6d37d6c9c7b12793ca8bbc0567f9ec73b092ce7c54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97f75dc70c12e64c93c37e6d37d6c9c7b12793ca8bbc0567f9ec73b092ce7c54, en de alinea staat in dat document op bytes 6453 tot 7802.