Citaat | Hoge Raad 16 juni 1999
Alinea 17 Hoge Raad 16 juni 1999
Een alinea uit Hoge Raad 16 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AE8721.
3.4. De naar aanleiding van een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM te beoordelen termijn vangt aan op het moment dat door een bevoegde Nederlandse autoriteit een "criminal charge" wordt uitgebracht in de zin van voormeld artikel, waaronder te begrijpen het door of vanwege een zodanige autoriteit verrichten van een handeling waaruit de betrokkene in redelijkheid kan opmaken dat die autoriteit het ernstige voornemen heeft tegen hem een strafvervolging in te stellen. Onder het instellen van een strafvervolging is in dit verband ook te verstaan het opleggen van een verhoging. Eerst vanaf dat tijdstip is de Nederlandse Staat gehouden te voldoen aan zijn uit artikel 1 EVRM voortvloeiende verplichting de zaak tegen de betrokkene te behandelen binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM (vgl. HR 2 juni 1998, NJ 1998, 769). De klacht dat het Hof in deze zaak ten onrechte de vertraging, veroorzaakt door de Duitse autoriteiten, buiten beschouwing heeft gelaten, faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97f75dc70c12e64c93c37e6d37d6c9c7b12793ca8bbc0567f9ec73b092ce7c54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97f75dc70c12e64c93c37e6d37d6c9c7b12793ca8bbc0567f9ec73b092ce7c54, en de alinea staat in dat document op bytes 7822 tot 8892.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/97f75dc70c12e64c93c37e6d37d6c9c7b12793ca8bbc0567f9ec73b092ce7c54 | shasum -a 256