Citaat | Hoge Raad 7 januari 2000

Alinea 47 Hoge Raad 7 januari 2000

Een alinea uit Hoge Raad 7 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4113.

3.3 Onderdeel 2 is gericht tegen 's Hofs rov. 4 waarin het Hof tot de slotsom komt dat het beroep van de Staat op de in de Wet van 31 oktober 1924 voorziene verjaring, gegrond is. Hetgeen het onderdeel daartegen aanvoert laat zich als volgt weergeven dat het Hof heeft miskend dat in de gegeven omstandigheden, te weten dat [eiseres] pas na protest en onder dwang de keurlonen heeft betaald en dat de in 3.1 onder (viii) genoemde procedure een proefprocedure was, toepassing van de in de Wet van 1924 voorziene verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Waar [eiseres] zich erop beroept dat zij de keurlonen onder dwang heeft betaald, bedoelt zij daarmee klaarblijkelijk dat zij als exporteur van bloembollen door haar voor uitvoer bestemde bloembollen diende te laten keuren en feitelijk genoodzaakt werd de daarvoor door de Staat in rekening gebrachte keurlonen te betalen, terwijl de Staat heeft geweten of moeten begrijpen dat [eiseres] tot betaling van die keurlonen is overgegaan omdat zij vreesde dat zij anders de door haar voor export bestemde bloembollen niet zou kunnen exporteren. Nu het Hof in het midden heeft gelaten of hiervan sprake, was zal daarvan bij de beoordeling van het middel veronderstellenderwijs moeten worden uitgegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1eba1f40ec231bff430c6d2d5b6497f2bf53abe15d9c1495fe2ff98f6821daa7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1eba1f40ec231bff430c6d2d5b6497f2bf53abe15d9c1495fe2ff98f6821daa7, en de alinea staat in dat document op bytes 13092 tot 14393.