Citaat | Hoge Raad 14 januari 2000

Alinea 58 Hoge Raad 14 januari 2000

Een alinea uit Hoge Raad 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4280.

3.2 [Werknemer] vordert in deze procedure met een beroep op art. 7A:1638ii (oud) BW uitbetaling van vakantiedagen die op de datum van het einde van het dienstverband niet waren opgenomen. De Kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis is [werknemer] in hoger beroep gekomen. De Rechtbank heeft [werknemer] bij tussenvonnis van 14 september 1995 toegelaten tot bewijs dat hem is toegezegd dat uitbetaling van de door hem niet opgenomen vakantiedagen zou plaatsvinden, los van de afspraken die zouden worden gemaakt in het kader van de beëindigingsovereenkomst. Bij eindvonnis van 7 mei 1998 heeft de Rechtbank geoordeeld dat [werknemer] dat bewijs niet heeft geleverd. De Rechtbank heeft het beroepen vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a3e316e2280fda664786c0af5cf68251b3d48381b3408fc53d3a463e1c94dede. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a3e316e2280fda664786c0af5cf68251b3d48381b3408fc53d3a463e1c94dede, en de alinea staat in dat document op bytes 10380 tot 11151.