Citaat | Hoge Raad 28 januari 2000

Alinea 60 Hoge Raad 28 januari 2000

Een alinea uit Hoge Raad 28 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4605.

4. Over de afzonderlijk door het middel opgeworpen klachten merk ik nog het volgende op. Anders dan het middel kennelijk wil betogen, is voor de rechtsgeldigheid en/of de bewijs-kracht van de akte van borgtocht niet vereist dat de titel van de schuld, waar-voor de borg zich sterk maakt, daarin wordt ver-meld, noch dat de akte mede wordt ondertekend door de hoofd-schul-denaar. Vgl. wat dit laatste betreft art. 1842 lid 1 en art. 1858 lid 1 Arubaans BW. Dat de akte van borgtocht haastig zou zijn opgemaakt, behoefde het Hof er niet van te weerhou-den, aan het bestaan en de inhoud van de akte beteke-nis toe te kennen bij beoorde-ling van de vraag of de feitenle-zing van [verweerder] aanneme-lijk geacht kan worden. Dat het Hof de stelling van [eiser 2], dat de akte onder het dreigement van [verweerder] om het schip vast te houden zou zijn tot stand gekomen, als niet feitelijk onderbouwd heeft verworpen, is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Wat het middel ter toelichting op die stelling nog aanvoert, kan - wat daar verder ook van zij - als ontoelaatbaar novum in cassatie niet dienen als feitelijke grondslag van het middel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7d013bbf38efe6c149fa0919feeb9e7564e616fbfe38699e3d3c7decc69f273d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7d013bbf38efe6c149fa0919feeb9e7564e616fbfe38699e3d3c7decc69f273d, en de alinea staat in dat document op bytes 12956 tot 14124.