Citaat | Hoge Raad 4 februari 2000

Alinea 22 Hoge Raad 4 februari 2000

Een alinea uit Hoge Raad 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4719.

Het Gerecht in eerste aanleg heeft bij tussenvonnis van 30 september 1991 partijen bewijslevering opgedragen. Bij tussenvonnis van 26 oktober 1992 heeft het Gerecht in eerste aanleg voor recht verklaard dat het ongeval voor 75% te wijten was aan de schuld van [bestuurder] en de zaak naar de rol verwezen voor uitlating van partijen als onder 2.12 van dit vonnis bedoeld. Na een tussenvonnis van 18 oktober 1993 heeft het Gerecht in eerste aanleg bij eindvonnis van 28 februari 1994 [bestuurder] en [eigenaar auto] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeeld om aan [weduwe van voetganger 1] hoofdelijk, aldus dat betaling aan haar pro se bevrijdend werkt ten aanzien van de betaling aan haar als wettelijk vertegenwoordiger van de drie minderjarige kinderen, te voldoen een bedrag van NAƒ 161.701,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 13 februari 1991 tot de dag van de algehele voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e944f48e019f1860591d4dd35c76538738315e7406aed1cf2f9b503a0b9075ee. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e944f48e019f1860591d4dd35c76538738315e7406aed1cf2f9b503a0b9075ee, en de alinea staat in dat document op bytes 5860 tot 6875.