Citaat | Hoge Raad 4 februari 2000
Alinea 39 Hoge Raad 4 februari 2000
Een alinea uit Hoge Raad 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4719.
3.5 Bij de toepassing van art. 1387 BWNA, welke bepaling over-eenkomt met art. 1406 (oud) BW, gaat het - even-als trouwens bij het huidige art. 6:108 BW - niet om schade van de overle-dene zelf, maar om schade die de nabe-staande lijdt door het derven van levensonderhoud dat hij van de overledene ontving. Het recht op schadevergoeding krachtens dit artikel is in zo-verre be-perkt dat geen recht op schadevergoeding bestaat, voor zover de nabestaande, gezien zijn financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft, ondanks deze schade als niet-be-hoeftig kan worden aangemerkt (vgl. HR 19 juni 1970, NJ 1970, 380). Bij het bepalen van de behoefte van de nabestaande be-hoort in beginsel zijn gehele financiële positie in aanmerking te worden genomen. Hieruit vloeit voort dat alle gunstige fi-nanciële omstandigheden de behoefte van de nabestaande kunnen beperken en dat daarmee uit dien hoofde - derhalve anders dan bij wege van voordeels-toerekening - ook bij de hem verschul-digde schade-ver-goeding rekening moet worden gehouden. Dit geldt ook voor een uitkering uit hoofde van een verzekering als de onderhavige levensverzekering.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e944f48e019f1860591d4dd35c76538738315e7406aed1cf2f9b503a0b9075ee. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e944f48e019f1860591d4dd35c76538738315e7406aed1cf2f9b503a0b9075ee, en de alinea staat in dat document op bytes 11759 tot 12918.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e944f48e019f1860591d4dd35c76538738315e7406aed1cf2f9b503a0b9075ee | shasum -a 256