Citaat | Hoge Raad 4 februari 2000

Alinea 41 Hoge Raad 4 februari 2000

Een alinea uit Hoge Raad 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4724.

3.3 Het Hof heeft, nadat de Rechtbank bij gebreke van verweer van de zijde van de vrouw dit ver-zoekschrift vrijwel geheel had gehonoreerd, op het daartegen door de vrouw ingestelde hoger beroep het verzoek van de man in zoverre toegewezen, dat de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 maart 1998 op nihil werd bepaald. De daartoe door het Hof gebezigde motivering kwam, kort samengevat, hierop neer dat het feit dat de vrouw uit de nalatenschap van haar vader een vermogen van ƒ 500.000,-- had verkregen en het feit dat zij dit bedrag in haar bedrijf had gestort, een zodanige wijziging van omstandigheden opleverden, dat de bij eerdergenoemd vonnis van 22 juni 1993 bepaalde uitkering tot levensonderhoud opnieuw aan de wettelijke maatstaven kon worden getoetst, en dat voorts deze toetsing, mede gezien het door de vrouw geproduceerde cijfermateriaal betreffende haar bedrijf, zoals hiervóór in 3.1 onder (iii) en (v) vermeld, het Hof tot de slotsom bracht dat de vrouw “in ieder geval vanaf 1 januari- 1997” in staat moet worden geacht haar financiën zodanig aan te passen, “dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien”. Hiertegen richt zich het cassatiemiddel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/20f6d63d33737de5d8e1c9657982104afb166a1f211629337f307f65b319acb2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 20f6d63d33737de5d8e1c9657982104afb166a1f211629337f307f65b319acb2, en de alinea staat in dat document op bytes 10404 tot 11653.