Citaat | Hoge Raad 9 februari 2000

Alinea 21 Hoge Raad 9 februari 2000

Een alinea uit Hoge Raad 9 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4749.

3.4. Bij de beoordeling van middel 5 moet het volgende worden vooropgesteld. Nu in cassatie mag worden aangenomen dat bij de mondelinge behandeling van de zaak door beide partijen een pleitnota aan het Hof is overgelegd - het Hof heeft in het onderhavige geval in zijn uitspraak melding gemaakt van pleitnotities, en zijn griffier heeft bij de ter griffie van de Hoge Raad ingekomen stukken twee pleitnota’s, een van belanghebbende en een van de Inspecteur, gevoegd -, behoren deze pleitnota’s tot de stukken waarvan de Hoge Raad in cassatie kennis neemt, ook als, zoals te dezen, de inhoud daarvan niet in de uitspraak is ingelast. In het licht van hetgeen belanghebbende in haar pleitnota heeft gesteld, voert het middel terecht aan dat het Hof haar subsidiaire standpunt niet juist heeft weergegeven. Op de gronden vermeld in onderdeel 5.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal slaagt het middel ook voor het overige.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1968960cd77edab4824dfcea69c38ddb346a12fd9b224dbe0f3e96ba4e8ee468. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1968960cd77edab4824dfcea69c38ddb346a12fd9b224dbe0f3e96ba4e8ee468, en de alinea staat in dat document op bytes 9951 tot 10893.