Citaat | Hoge Raad 9 februari 2000

Alinea 33 Hoge Raad 9 februari 2000

Een alinea uit Hoge Raad 9 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4848.

4.1. Het eerste middel is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de noodzaak van onteigening. Dat oordeel komt op het volgende neer. Het desbetreffende verweer van [eiseres] berust op de stelling dat zij - samen met anderen - de bestemming waarvoor onteigend wordt, zelf kan realiseren. In de procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding is dit bezwaar al naar voren gebracht, maar toen was (ook) volgens [eiseres] geen sprake van enige reële mogelijkheid tot zelfrealisatie, zodat de overheid in redelijkheid tot het onteigeningsbesluit kon komen. Volgens [eiseres] is de situatie inmiddels volledig gewijzigd. In het onteigeningsgeding is er dan, aldus de Rechtbank, echter alleen ruimte voor afwijzing van de gevorderde onteigening op deze grond, indien er op basis van de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over de mogelijkheid tot zelfrealisatie. Die situatie doet zich hier niet voor. Op basis van hetgeen [eiseres] in dit verband heeft gesteld, kan de Rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Gemeente, “zich in feite geen goed oordeel vormen” over de vraag of [eiseres] in staat is tot zelfrealisatie en weliswaar heeft [eiseres] daarvan bewijs aangeboden, maar “een nader tijdrovend feitenonderzoek middels bewijslevering op dit punt” acht de Rechtbank in strijd met de in een onteigeningsprocedure te betrachten spoed.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0f0f0ca189a2644afe2e1bc137b0e1051473b94764a04a3b694f065340f97dd0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0f0f0ca189a2644afe2e1bc137b0e1051473b94764a04a3b694f065340f97dd0, en de alinea staat in dat document op bytes 8704 tot 10107.