Citaat | Hoge Raad 18 februari 2000
Alinea 60 Hoge Raad 18 februari 2000
Een alinea uit Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4877.
5.1.2 Het middel strekt ten betoge dat uit de art. 1, 3, lid 1, aanhef en onder e, en 5 van het Verdrag en art. 6 lid 3 van de Uitvoeringswet van het Verdrag, in onderling verband beschouwd, valt af te leiden dat de rechterlijke autoriteit die uitvoering geeft aan de rogatoire commissie, zich althans voor wat betreft de te horen personen in die zin aan de opdracht in de rogatoire commissie heeft te houden, dat hij slechts personen hoort die met naam en adres in de rogatoire commissie worden genoemd. Zou het Verdrag niet uitsluiten dat uit hoofde van een rogatoire commissie personen kunnen worden gehoord, die niet met naam en adres in de rogatoire commissie worden genoemd, dan kan de bevoegdheid om zodanige personen te horen slechts worden aangenomen, wanneer in de rogatoire commissie zelf met zoveel woorden een daartoe strekkend verzoek is opgenomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aafa18f8ab10cae1054dc527bdc9570f37722b9282f0ec326f98a0c9238d7ef2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aafa18f8ab10cae1054dc527bdc9570f37722b9282f0ec326f98a0c9238d7ef2, en de alinea staat in dat document op bytes 18268 tot 19151.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aafa18f8ab10cae1054dc527bdc9570f37722b9282f0ec326f98a0c9238d7ef2 | shasum -a 256