Citaat | Hoge Raad 23 februari 2000

Alinea 30 Hoge Raad 23 februari 2000

Een alinea uit Hoge Raad 23 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4899.

3.4. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat in de periode van 18 juli 1989 tot 28 april 1990 (een deel van) het hiervóór in 3.1 vermelde voordeel is ontstaan. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Voor-zover de middelen aanvoeren dat, anders dan het Hof heeft aangenomen, belanghebbende de aandelen A BV niet heeft gekocht tegen de destijds geldende waarde in het economische verkeer, berusten zij op feiten, waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan, zodat daarop geen acht kan worden geslagen, omdat zulks een onderzoek van feite-lijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Bij het vorenoverwogene laat de Hoge Raad in het midden of de in de middelen bepleite compartimentering geboden is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4dd781df499374abae0a03bae4993c81df662426cbf69b897a6edee2b47051f5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4dd781df499374abae0a03bae4993c81df662426cbf69b897a6edee2b47051f5, en de alinea staat in dat document op bytes 11468 tot 12392.