Citaat | Hoge Raad 17 maart 2000

Alinea 33 Hoge Raad 17 maart 2000

Een alinea uit Hoge Raad 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5166.

3.2 Hetgeen door [verzoeker] is aangevoerd ter rechtvaardiging van de termijnoverschrijding kan niet tot een ander oordeel leiden. Noch art. 14 IVBPR noch art. 6 EVRM staat eraan in de weg dat, hoewel de bestreden beschikking eerst tien dagen na te zijn uitgesproken is verzonden, [verzoeker] niet gebonden zou zijn aan de in art. 426 lid 1 Rv. voorgeschreven termijn. Aannemende dat [verzoeker] eerst na de verzending kennis kreeg van de bestreden beschikking, resteerde voor hem voldoende tijd om beroep in te stellen. Voorzover [verzoeker] heeft beoogd een beroep te doen op toepassing van art. 6:11 Awb (vgl. HR 28 mei 1999, nr. R98/110, NJ 1999, 613), moet dit beroep van de hand worden gewezen nu [verzoeker] in cassatie geen omstandigheden heeft aangevoerd die de gevolgtrekking wettigen dat de indiening van het cassatieberoep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk heeft plaatsgevonden. Met name kan voor het antwoord op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is niet als aanknopingspunt dienen dat sprake zou zijn van “een wirwar van regels”, nu dit tot een voor de praktijk niet goed te hanteren maatstaf zou leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/11b069ee36123e4e620c8bd35694edeb837208e674fdb9356f7b133f9733d1de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 11b069ee36123e4e620c8bd35694edeb837208e674fdb9356f7b133f9733d1de, en de alinea staat in dat document op bytes 8703 tot 9861.