Citaat | Hoge Raad 21 maart 2000

Alinea 36 Hoge Raad 21 maart 2000

Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5254.

3.6. Het voorgaande brengt echter wel met zich mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, nu met het oog op art. 359a Sv nader onderzocht moet worden of en zo ja welk gevolg moet worden verbonden aan het feit dat de door de sociaal rechercheurs verrichte observaties een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte heb-ben betekend. In dit verband verdient overweging dat het Hof, dat niet de verslagen van de observaties als bewijsmiddel heeft gehanteerd, heeft vastgesteld dat in het dossier geen enkele aanwijzing is te vinden voor het oordeel dat bekentenissen van de verdachte zijn gedaan doordat de verbalisanten de verdachte met die observaties hebben geconfronteerd. Nu daaromtrent in cassatie ook niet is geklaagd, zal het Hof waar-naar de zaak wordt verwezen, zo het van oordeel is dat een in art. 359a Sv bedoeld gevolg aan het gecon-stateerde vormverzuim moet worden verbonden, slechts tot verlaging van de hoogte van de straf in verhou-ding tot de ernst van het verzuim kunnen komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2b9717fd7cca95d0b76999aba9af7bbb15624172b9c57e18740ed30b6b5554c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2b9717fd7cca95d0b76999aba9af7bbb15624172b9c57e18740ed30b6b5554c0, en de alinea staat in dat document op bytes 11365 tot 12419.