Citaat | Hoge Raad 21 maart 2000
Alinea 38 Hoge Raad 21 maart 2000
Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5255.
3.8. In de onderhavige zaak moet er in cassatie van worden uitgegaan dat de verbalisanten de bevoegdheid om binnen te treden niet hebben kunnen baseren op enige toestemming. Voorts moet er van worden uitgegaan dat een mach-tiging als bedoeld in de Al-gemene wet op het binnentreden niet was verstrekt. Het door het Hof als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal kan niet anders worden begrepen dan dat de verbalisanten de woning hebben betreden om te kijken naar eventuele andere slachtof-fers. In het licht van de door het Hof vastgestelde omstandigheden, waaronder met name de omstandigheid dat de verdachte aan de verbalisanten mededeelde dat hij in de woning door iemand was neergestoken, en in aanmerking genomen dat ingevolge art. 8, tweede lid, in verbin-ding met art. 2 van de Politiewet 1993 politie-ambtenaren bevoegd zijn elke plaats, inclusief woningen, te betreden voorzover dat voor het verlenen van hulp redelijkerwijs nodig is, alsmede gelet op het bepaalde in art. 2, vierde lid, van de Algemene wet op het binnentreden, heeft het Hof het verweer dat sprake was van onrechtmatig binnentreden en der-halve van onrechtmatig verkregen bewijs, terecht verworpen, wat er zij van de gronden waarop het Hof zijn verwer-ping heeft doen steunen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b9efd068040912ba1a3015986a2cb248f72165118f3f3e9528defc8dcb04f7d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b9efd068040912ba1a3015986a2cb248f72165118f3f3e9528defc8dcb04f7d2, en de alinea staat in dat document op bytes 8942 tot 10209.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b9efd068040912ba1a3015986a2cb248f72165118f3f3e9528defc8dcb04f7d2 | shasum -a 256