Citaat | Hoge Raad 24 maart 2000

Alinea 36 Hoge Raad 24 maart 2000

Een alinea uit Hoge Raad 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5259.

Ook dit onderdeel is terecht voorgesteld. Nog daar-ge-laten dat AXA aan het eind van haar betoog uitvoerig en con-creet had aangegeven welke ge-tui-gen zij onder meer wil-de laten horen en welke vra-gen zij aan die getuigen wil-de voorleggen (memo-rie van grie-ven, punt 36, blz. 22/23, in verband met pleitaantekeningen, punt 83, blz. 43), ging het hier immers om een aanbod tot het leve-ren van tegenbewijs tegen het dwingende bewijs van de polis, het-geen AXA zonder meer vrij-stond (art. 178 lid 2 Rv.), ter-wijl zij dat aanbod niet behoefde te specificeren (HR 9 januari 1998, nr. 8939, NJ 1999, 413), ook niet nadat in een door haarzelf geëntameerd voor-lo-pig getui-gen-ver-hoor getuigen waren ge-hoord, aangezien AXA inmiddels aan de hand van een groot aantal producties, hiervóór ver-meld, een hoeveelheid nieu-we ge-ge-vens te berde had ge-bracht, welke nieuwe gege-vens aanleiding konden zijn voor na-de-re vra-gen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b7e95fda6255114907c45e5aa1630742defbff7274af6a403b7da821be005275. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b7e95fda6255114907c45e5aa1630742defbff7274af6a403b7da821be005275, en de alinea staat in dat document op bytes 11285 tot 12234.