Citaat | Hoge Raad 7 april 2000

Alinea 52 Hoge Raad 7 april 2000

Een alinea uit Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5403.

3.4 Onderdeel 1.4 - onderdeel 1.3 bevat geen klacht - is eveneens gericht tegen 's Hofs rov. 4. Het onderdeel neemt tot uitgangspunt dat het Hof daar heeft geoordeeld dat nog in het geheel geen sprake was van een koopovereenkomst. Dit uit-gangs-punt is juist. Waar het Hof overweegt dat de Recht-bank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat de betrokken onroerende zaken bij de openbare veiling onder opschortende voorwaarde van betaling van de koopsom aan de koper waren toegewezen en dat de (uitvoering van) deze overeenkomst nog steeds niet was tot stand gekomen nu De Vestingwachter als vei-lingkoper de koop-som ten tijde van de beslaglegging door de Ontvanger nog steeds niet had voldaan, doelt het Hof, naar mede volgt uit zijn rov. 5, op de in art. 15 van de veiling-voor-waarden vermelde op-schor-tende voorwaar-de. Mede in het licht van het door het Hof overgenomen oor-deel van de Rechtbank in haar rov. 4, dat de door WUH c.s. gestelde koop nog steeds niet "perfect" was, moet 's Hofs oordeel aldus wor-den begrepen dat naar zijn oordeel niet gezegd kan worden dat tussen WUH en De Vestingwachter reeds een koopovereen-komst was tot stand gekomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2a1128f0d76761ec4647ab63eddaf95020dd5937f59a9c17851840c3a3f805e0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2a1128f0d76761ec4647ab63eddaf95020dd5937f59a9c17851840c3a3f805e0, en de alinea staat in dat document op bytes 17443 tot 18623.