Citaat | Hoge Raad 7 april 2000
Alinea 53 Hoge Raad 7 april 2000
Een alinea uit Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5404.
3.8 De Hoge Raad zal vervolgens eerst onderdeel C4 behandelen. Dit klaagt erover dat het Hof door te oordelen dat de getuigenverklaring van de bestuurder van M&B, [getuige], geen bewijs ten voordele van M&B kan opleveren, een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 213 lid 1 Rv., nu de daar bedoelde beperkte bewijskracht alleen toekomt aan de getuigenverklaring van de partij op wie de bewijslast én het bewijsrisico rusten, en niet aan de verklaring van de partij die is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9158d4e4e829d337cb96f57ac63f48392d8b61d6f352fb6aa016b1730b09489d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9158d4e4e829d337cb96f57ac63f48392d8b61d6f352fb6aa016b1730b09489d, en de alinea staat in dat document op bytes 16364 tot 16907.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9158d4e4e829d337cb96f57ac63f48392d8b61d6f352fb6aa016b1730b09489d | shasum -a 256