Citaat | Hoge Raad 7 april 2000
Alinea 54 Hoge Raad 7 april 2000
Een alinea uit Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5404.
Het onderdeel is gegrond. De in art. 213 lid 1 Rv. neergelegde regel dat hetgeen door een partij-getuige is verklaard geen bewijs te haren voordele kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partij-verklaring voldoende geloofwaardig maken, geldt uitsluitend indien het gaat om een verklaring omtrent door die partij te bewijzen feiten. Onder dit laatste zijn te verstaan feiten waarvan de rechtsgevolgen worden ingeroepen door de partij die ingevolge de hoofdregel van art. 177 Rv. de bewijslast van die feiten draagt (vgl. MvA I bij art. 213, Parlementaire Geschiedenis nieuw bewijsrecht, blz. 296). Bij tegenbewijs is van dergelijke feiten echter geen sprake, zodat de rechter in dat geval overeenkomstig de hoofdregel van art. 179 lid 2 Rv. vrij is in de waardering van de door een partij-getuige afgelegde verklaring.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9158d4e4e829d337cb96f57ac63f48392d8b61d6f352fb6aa016b1730b09489d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9158d4e4e829d337cb96f57ac63f48392d8b61d6f352fb6aa016b1730b09489d, en de alinea staat in dat document op bytes 16915 tot 17845.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9158d4e4e829d337cb96f57ac63f48392d8b61d6f352fb6aa016b1730b09489d | shasum -a 256