Citaat | Hoge Raad 14 april 2000
Alinea 48 Hoge Raad 14 april 2000
Een alinea uit Hoge Raad 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5517.
Uit de na het arrest verschenen literatuur is evenwel gebleken dat de prealabele - in de zaak-Udenhout niet in het debat betrokken - vraag of de bijzondere (spoed)regeling van art. 164 leden 3 en 4 toepassing moet vinden ten aanzien van het door een gemeente aanwenden van rechtsmiddelen in een geding voor de burgerlijke rechter, met goede argumenten ontkennend kan worden beantwoord. De Hoge Raad heeft hierin aanleiding gezien om zijn standpunt over het al dan niet in civiele procedures toepasselijk zijn van de bedoelde regeling te heroverwegen. Daarbij is hij op grond van de hierna volgende argumenten thans tot het oordeel gekomen - en in zoverre komt hij terug van het arrest-Udenhout - dat het college van b en w van een gemeente ingevolge het eerste lid van art. 164 bevoegd is om bij wege van conservatoire maatregel, ter voorkoming van verlies van recht, rechtsmiddelen in een civiele procedure aan te wenden, en dat op de daarbij vereiste bekrachtiging door de gemeenteraad het bepaalde in lid 4 toepassing mist.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ccdac111642f7aa36eefa76cf6f9fef492b7df9dfad175bcbd56e2a046b9811f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ccdac111642f7aa36eefa76cf6f9fef492b7df9dfad175bcbd56e2a046b9811f, en de alinea staat in dat document op bytes 14379 tot 15419.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ccdac111642f7aa36eefa76cf6f9fef492b7df9dfad175bcbd56e2a046b9811f | shasum -a 256